BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER INLANDSCHE GALERUCINEN. DOOR Mr. A. F. A. LEES BERG. Nadat door mij in deel XXîV en XXV van dit Tijdschrift de Halticiden als ondergroep der Galeruciden werden beschreven, bleef nog, ten einde deze groep te voltooien, de bewerking der Galerucinen over. De Galerucinen vormen, gelijk ik reeds in bedoeld opstel ver-meldde, de eerste groep der Galerucidae, vooral door den vorm van het prosternum, dat niet verlengd is, en door het gemis van springvermogen , van de Halticiden onderscheiden. Daar ik later hoop in de gelegenheid te zijn de overige genera der inlandsche Chrysomeliden te behandelen, zal ik de verschil-punten tusschen deze groep en de overige groepen der Ghrysome-lidae thans met stilzwijgen voorbijgaan. Zoo vlug de Halticiden, dank zij hun springvermogen, zich bewegen, zoo log en gemakkelijk te vangen zijn de Galerucinen. Over het algemeen zijn hunne kleuren somber en vaal. De sprieten zijn draadvormig, soms een weinig meer naar het einde verdikt , met elf leden , ingeplant tusschen of voor de oogen (steeds dichter bij elkaar dan de oogen zelf), in eene holte, die scherp begrensd is, en waarvan de randen eene soort van kiel vormen, die nu eens door eene voorhoofdskiel gescheiden worden, dan weder met elkaar vereenigd zijn. De in het midden verdikte palpen eindigen in eene min of