41 VERSLA'G VAN DE DRIE-EN- VIJFTldSTE ZOMERVERGADERING DER KEDERIAPSCHE ESTOMOLOfilSCHE VEREESIfilSG, GEHOUDEN TE VENLO op Zaterdag 11 .Juni 1898, des morgens ten 11 ure. Eere- Voorzitter de heer A. van den Brandt. Met hem zijn tegenwoordig de heeren : Mr. A. Brants, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, H. W. Groll, D. van der Hoop, Dr. F. A. Jentink, Dr. F. W. O. Kallenbach , Mr. A. F. A. Leesberg, Dr. A. C. Oudemans Jsz. , Dr. J. Th. Oudemans, Mr. M. C. Piepers, Dr. C. L. Reuvens, G Ritsema Czn. , Dr. A. J. van Rossum, P. J. M. Schuyt, P. C. T. Snellen, Mr. D. L. Uyttenbogaart , J. Ver- sluys jr., Dr. H. J. Veth , Erich Wasrnann, F. M. van der Wulp en W. A. F. Zack. Van de heeren K. Bisschop van Tuinen Hzn. , Mr. A. J. F. Fokker, D. ter Haar, Dr. A. W. M. van Hasselt, Dr. R. Horst ^ J. Jaspers .Tz. , J. Kinker, A. A. van Pelt Lechner, Dr. Th. W. van Lidth de Jeude, Dr. J. G. H. de Meijere en H. G. Redeke is bericht ontvangen, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen. Tijdichr. v. Eniom. XLI. 4 42 V E E s L A G. De Eere- Voorzitter, de heer A. van den Brandt , opent de ver- gadering met de volgende toespraak : Mijne Heeren! Toen ten vorige jare in de Zomervergadering mij de eer te beurt viel om voeder tot Eere- Voorzitter voor deze vergadering te worden gekozen , aanvaardde ik deze taak niet zonder aarzeling. Maar vertrouwende op de mij bekende toegevendheid van het bestuur en de overige leden . welke toegevendheid ik thans ook weder inroep , zal ik trachten mijne taak naar eisch te volbrengen. Met voldoening zie ik in de talrijke opkomst het bewijs van de voortdurende belangstelling, welke de leden voor onze vergade- ringen toonen. Moge deze bijeenkomst strekken tot vermeerdering van onze kennis op entomologisch gebied en de bestaande vriendschapsband tusschen U allen nog hechter worden. Moge de gezamenlijke tocht op morgen, begunstigd door mooi weder, talrijke bijdragen leveren voor de Nederlandsche en ook voor de Limburgsche fauna. Moge het verblijf te Venlo voor U allen nuttig en aangenaam zijn. Met dezen wensch open ik de 53ste Zomervergadering. Op verzoek van den Eere-Voorzitter brengt de Voorzitter thans het volgende Jaarverslag uit: Mijne Heeren I Op nieuw mag ik de eer hebben , u het Verslag over het weder- varen onzer Vereeniging gedurende het bijna afgeloopen jaar, aan te bieden, in het gastvrije Venlo, waar wij reeds in 1894 bijeen- kwamen en dat , niettegenstaande de toenmaals «. verregende » excursie, toch zulke aangename herinneringen heeft achtergelaten, dank zij der uitstekende voorbereiding en leiding onzer vergadering door ons medelid , de heer A. van den Brandt , die zich , tot ons aller genoegen , op nieuw met die taak heeft willen belasten. Mijne mededeelingen moet ik, tot mijn leedwezen, aanvangen met eene kennisgeving die ik niet anders dan treurig kan noemen. V E B 8 L A G. 43 Aan ons genootschap ontviel eene begunstigster , met wier naam sedert vele jaren de ledenlijst werd geopend. Mevrouw de Wed. Hartogh Heijs van de Lier , geb. Snoeck overleed , na eene korte ongesteldheid, op 11 Januari 1898. Zeker was het ook de ge- dachtenis aan haren uitstekenden echtgenoot , die zoo met hart en ziel aan onze Vereeniging was verknocht, welke Mevrouw Hartogh Heijs aan ons verbond, maar niet minder gevoelde zijzelf belang- stelling voor de Vereeniging. Zij legde die steeds aan den dag door voortdurend naar ons wedervaren te vernemen en genoot blijkbaar , wanneer uw bestuur haar het een of ander goeds kon mededeelen. Wat zij voor de Ned. Entom. Vereeniging is geweest , daarvan moge de schenking der rijke bibliotheek van haar overleden echt- genoot getuigen — haar werk — wij kunnen er nu wel rond voor uitkomen , onze vermelding van dit feit zal de bescheidenheid der uitstekende vrouw die wij betreuren , thans niet meer kwetsen en het is goed dat ieder onzer het wete. Evenzoo de ruime onder- steuning die zij ons sedert zoovele jaren verleende en die zoo krachtig heeft bijgedragen om onze boekerijen in stand te houden en uit te breiden. Eindelijk heeft het haar ook nog behaagd , aan de Nederl. Ent. Vereeniging een blijvend bewijs van belangstelling te schenken door het vermaken eener som van f 10,000. — in te schrijven op het grootboek der Nationale Schuld, ten name onzer Vereeniging, met de bepaling dat de renten moeten worden aan- gewend, eerstens tot instandhouding en uitbreiding der Bibliotheek Hartogh Heijs van de Lier en, in de tweede plaats , zoo de eischen der boekerij het konden toelaten , tot instandhouding van het Tijdschrift voor Entomologie. Door beschikkingen als deze wordt langzamerhand het bestaan der Vereeniging op hechte, inderdaad «onderheid» te noemen grondslagen gevestigd. Dit heeft wijlen onze betreurde begunstigster zeker ook ingezien. Wij mogen haar dus dubbel dankbaar zijn, namelijk eerstens voor de gift zelve en ten tweede voor de verstandige beschikkingen die zij bij de schen- king maakte. Uit het verslag van onzen Penningmeester zal u blijken, dat het bedrag van het legaat reeds aan het Bestuur is uitbetaald en 44 • VERSLAG. aan de bepalingen van den uitersten wil onzer overleden begun- sligster is voldaan. Eene tweede begunstigster , Mevrouw de Wed. A. A. Lechner , geb. van Pelt, werd ons insgelijks, tot ons leedwezen, door den dood ontroofd. Twee anderen , de beeren Mastboom en van Olden- borgh, bedankten als zoodanig. Het getal onzer Eere-, Correspondeerende- en Buitenlandsche leden onderging geene verandering. Van de gewone leden verloren wij door overlijden de beeren W. O. Kerkhoven te Lochern en G. M. de Graaf te Leiden. Beiden waren sedert vele jaren aan onze Vereeniging verbonden , de eerste van kort na hare vestiging af (1845—46), de laatste sedert 1847 — 48. De heer de Graaf was eigenlijk meer Ornitholoog dan Entomoloog maar stelde toch een levendig belang in onze wetenschap en ver- gezelde zijne beide broeders, de beeren Mr. H. W. de Graaf en wijlen N. H. de Graaf, steeds op hunne excursiën, vlijtig mede verzamelende en waarnemende. Een nieuw Ud trad toe, de heer G. J J. van Hall te Amsterdam. Onze Vereeniging telt dus op heden : 1 7 Begunstigers . 9 Eereleden , 10 Correspondeerende leden, 4 Buitenlandsche leden en 98 Gewone leden. 138 Van ons Tijdschrift is sedert mijn laatste Verslag het 40ste deel geheel verschenen en van deel 41 is aflevering I op het punt van het licht te zien. De Redactie blijft zich voor bijdragen aanbevelen , ten einde de uitgave te kunnen bespoedigen en de zamenstelling der afleveringen bijtijds voldoende te regelen. Van het werk van Dr. J. Th. Oudemans over de Nederlandsche insecten, is aflievering 8 juist uitgegeven. De bewerking wordt op dezelfde vvijze voortgezet en de platen zijn goed, zoodat het zich laat aanzien dat deze belangrijke onderneming tot een glansrijk VERSLAG. 45 einde zal worden gevoerd en voor een aantal jaren , voor onze Nederlandsche Entomologen in de behoefte aan eene grondige in- leiding tot hunne wetenschap zal voorzien. Het strekt mij ook tot een groot genoegen , te kunnen vermelden dat van het werk, waarvan ik in mijn vorig Jaarverslag de aan- staande uitgave aankondigde, hat eerste gedeelte inderdaad het licht heeft gezien. Van de « Goleoptera Neerlandica, de Schildvleu- gelige insecten van Nederland, door Jhr. Dr. Ed. Everts», verscheen de eerste helft van deel I in April van dit jaar bij de firma Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage. Een oordeel over het intrinsieke van dit belangrijke werk aan bevoegde personen overlatende, wil ik toch een woord van lof over het uitwendige (druk en papier) niet terughouden en den leden onzer Vereeniging tevens dringend aanbevelen , de uitgave door hunne inteekening te steunen. Mede uit ik de hoop , dat het aan Dr. Everts moge gegeven zijn , de voltooiing van zijnen arbeid ten gestelden tijde te zien geschieden. Van Sepp's Nederlandsche Insecten zagen twee afleveringen het licht, n°. 47 en 48 van het twaalfde deel (2e serie deel 4). Nog eene aanstaande uitgave op ons gebied wil ik vermelden ; hoewel van meer bescheiden aard , is zij toch ook zeer nuttig. Op de pers is namelijk eene handleiding lot het verzamelen , behandelen en bewaren van Lepidoptera door ons medelid D. ter Haar. Hoewel ik zeker ben dat dit werkje, hetwelk in eene bepaalde behoefte voorziet , zijn weg wel vinden zal , beveel ik de onderneming toch ook ten zeerste voor den steun onzer medeleden aan. Kan ik , wat onze geldmiddelen betreft met vertrouwen naar het verslag van onzen Penningmeester verwijzen , zoo moet ik , wat een verslag over de Bibliotheek betreft , die taak op mij nemen. De leden zijn in het bezit der jongste circulaire van het Bestuur en kennen dus den staat van zaken. Ik behoef daarop dus niet terug te komen. Zeer wenschelijk zoude het zijn, indien op deze vergadering een afdoend besluit, de toekomst onzer boekerijen regelende , kon worden genomen. Niettegenstaande de beslaande vacature heeft het Bestuur toch de voldoening , dank zij der welwillendheid van Dr. Reuvens , die 46 V E B s L A 6. het zoo bereidvaardig 1er zijde stond, ditmaal eene lijst van de nieuw bijgekomen boeken te kunnen overleggen. Zie daar, Mijne beeren! in korte woorden de vermelding van den toestand onzer Vereeniging en van de werkzaamheid harer leden. Beide zaken zijn niet ongunstig en doen ons de toekomst met vertrouwen te gemoet gaan. Nadat de Eere-Yoorzitter den Voorzitter bedankt heelt voor de juiste wijze, waarop deze de lotgevallen der Vereeniging in het afgeloopen vereenigingsjaar heeft geschetst, verzoekt hij den Penning- meester rekening en verantwoording te doen van het door hem gehouden beheer. De Penningmeester brengt de boeken en bescheiden ter tafel en maakt melding van de volgende cijfers: Algemeene Kas, Ontvang. Saldo van vorige rekening ƒ 812.37^ Gontributiën van leden » 600, — )) » begunstigers » 155. - Extra bijdragen » 43.50 Ontvangen renten » 95.96 Verkoop van 1 ex. Snellen, Vlinders van Nederland » 2.50 Legaat Mevrouw Hartogh Heys van de Lier . . » 10,000. — /• 11,679 33 Uitgaaf. Onkosten van vergaderingen. . . ƒ" 10.50 Lokaalhuur voor de bibliotheek en vergoeding aan den concierge Vergoeding aan den Bibliothekaris . Nieuwe boekenkasten enz. Tra?isporteere f 607.10 ƒ 11,679.33-'-' VERSLAG. 47 Trans])ort f Onkosten voor de bibliotheek . . » Aankoop en inl)inden van boeken . » Drukken van verslagen en circulaires » Bijdrage aan de Phylopathologische Vereeniging » Premie van assurantie .... Voorschotten aan den Voorzitter . » » )) Vice-Voorzitter » » » Peningmeesler » )) » Secretaris . Saldo der uitgave, van der Wulp Gat. Diptera from South-Asia . Aankoop van ƒ10,200. — . Inschrij- ving Grootboek 3 pCt. N. W. S. 607.10 91.25 = 155.48 116 23 5.— 1090 15.96 13.50 21.28^ 34.06» ƒ11,679.335 » 215.20'' » 9970.50 » 11,255.48 Batig saldo f 423.85 ^ Fonds voor de uitgave van het Tijdschrift. Ontvang. Saldo van vorige rekening f Subsidie van het Bijk » Geleverde exemplaren aan de leden » Verkochte exemplaren aan den boekhandel Verkochte vroegere jaargangen Bijdragen van begunstigers 602.10 375.— 246.— 179.30 21.— 110.— / 1,533.40 Uitgaaf. Drukloon f 652.65 ^ Vervaardigen van platen » 569.72^ Kosten van verzending en voorschotten aan de Gommissie van Bedactie . » 62.27 Transporteere f 1,284.65 ƒ 1,533.40 4P V E E s L A G. Transport f 1,284.65 / 1,533.40 Premie van assurantie (voor de op- lagen van vroegere jaargangen) . » 3.40 Zegel en leges op de Rijkssubsidie geheven » 1.44 » 1,289.49 Batig saldo f 243.91 Fonds der bibliotheek Hartogh Heys van de Lier. Ontvang. Saldo van vorige rekening /" 27.56 Toelage van Mevrouw Hartogh Heys van de Lier . » 200. — Uitgaaf. Aankoopen en inbinden van boeken . ƒ 248.61 Premie van assurantie » 9. — ƒ 257.61 Nadeelig saldo op nieuwe rekening » 30.05 ƒ 257.61 Bij vermelding van bovenstaande cijfers merkt de Penning- meester op , dat hij thans de kosten der uitgave van den catalogus der Diptera van Zuid-Azië, door den heer van der Wulp, ver- minderd met het voor de vei^kochte exemplaren ontvangen bedrag , heeft gebracht in de uitgaven der Algemeene Kas, daar anders hiervoor eene afzonderlijke rekening zou moeten gemaakt worden, wat hem niet wenschelijk vooikomt. Het bedrag, dat door verkoop van exemplaren van dit werk in het vervolg wordt ontvangen, zal dan in de Algemeene Kas vloeien. Het drukloon van het Tijdschrift is belangrijk hooger dan vorige jaren, doordien de omvang grooter is geweest, waaraan ook de verhooging van de kosten van verzending is toe te schrijven. Wat het fonds der Bibliotheek Hartogh Heijs van de Lier betreft, wenscht hij op te merken, dat slechts over het eerste VERSLAG. 49 halfjaar de toelage van wijlen onze begunstiger werd ontvangen. Het aandeel in de lokaalhuur, dat altijd onder de uitgaven van het fonds werd gebracht, heeft hij thans daaruit niet betaald, daar anders liet nadeelig saldo dezer rekening grooter zou zijn geworden en dan toch door de Algemeene Kas had aangezuiverd moeten worden, wat nu wegens het kleine bedrag niet noodig is. Nog doet de Penningmeester voorlezing van eene door hem opgestelde begrooting van de verschillende Kassen voor het volgende jaar, welke begrooting echter vermoedelijk door de door de vergade- ring te nemen besluiten in zake de bibliotheek belangrijk zal gewijzigd moeten worden. De Eere-Voorzitter verzoekt onder dankbetuiging aan den Penningmeester, de beeren Leesberg en J. Th. Oudemans de rekening na te zien en deze stellen na gedaan onderzoek voor, den Penningmeester voor het gehouden beheer te dechargeeren , waartoe de vergadering bij acclamatie besluit. De President deelt f hans mede, dat tot het ontvangen der rente van de inschrijving groot ƒ10,200. — op het 3^/q Grootboek het passeeren van eene rente-procuratie noodig is, waarop de ver- gadering besluit , dat de President , de Secretaris en de Penning- meester gerechtigd zijn tot het passeeren der vereischte rente- procuratie, en worden die beeren mitsdien voor zooveel noodig tot ontvangst dier renten gemachtigd met de macht van substitutie. De heer Reuvens brengt het volgend verslag over de bibliotheken uit: Mijne Heeren ! Na de zomervergadering van 17 Juli 1807 door uw Bestuur aangezocht , om het bij te staan in het beheer der Bibliotheken , daar mijn geachte collega Ritsema, na 25 iaar, meende zijn post als bibliothekaris te moeten verlaten, heb ik thans de eer u een verslag aan te bieden , omtrent datgene , wat sinds dien datum in de boekerij plaats gevonden heeft. 50 V E K s L A ö. Na een overzicht van alles genomen te hebben , en na ampele besprekingen met onzen geachtcn Voorzitter , verzocht ik het Bestuur mij te machtigen twee nieuwe, dubbele, uit elkaar neembare kasten te mogen laten maken. Zulks was hoog nootlig, en zou zeker door uwen oud-bibliothekaris reeds lang voorgesteld zijn, als hij er niet tegen opgezien had wegens de hooge kosten. Beide kasten zijn nu in gebruik, elk 4.50 M. lang, met een plankbreedte van 35 cM., 3 M. hoog en aan beide zijden voorzien van 14 verzetbare planken. Voorts mocht uit een drietal lage , eveneens dubbele kasten , door het verplaatsen der middelschotlen en het daarna op elkander zetten , een hooge, diepe muurkast gemaakt worden, die uitstekend dienst zal doen , om een deel van 't tijdschrift-fonds in op te bergen , en daarom in 't kleine kamertje geplaatst is, in welk vertrek vermeld fonds, deels in kisten gepakt, deels in stapels gesorteerd op een betere schikking ligt te wachten , tot de catalogi gereed zullen zijn. Om plaats te maken voor de nieuwe kasten, werd de dubbele kast van H. Heys verplaatst naar de zijde der Langebrug, een groote tafel, met losse loketkast erop, tegen den muur onder 't portret van H. Heys geplaatst , en in de zoo verkregen ruimte beide nieuwe meubels gezet. Daarna kwamen de boeken aan de beurt. Dat er oogenblikken waren , dat men zich haast niet roeren kon , behoef ik u wel niet te zeggen. Immers de kast van H. Heys moest om te verzetten geheel leeg gemaakt worden , en zij was tot 't uiterste gevuld. Daarna moesten de, tijdelijk in de andere kasten op en achter elkaar geplaatste boeken er uit en gesorteerd worden , ten einde later geen dubbel werk te hebben. Gelukkig vond ik allen steun in collega Ritsema, en stond 't Bestuur mij toe om een tijdelijke hulp te nemen , waarin ik uitstekend slaagde. Zooals de leden later in de Catalogi zien zullen, heb ik geen nieuwe verdeeling der hoofdgroepen gemaakt ; alleen bij de tijd- schriften zal de volgende verandering opgemerkt worden. Eerstens rangschikte ik hen naar de werelddeelen , toen naar de landen, met dien verstande dat b.v. Duitschland geldt voor Saksen , Beijeren, Baden enz. , Engeland ook voor Ierland en Schotland , dat ondei VERSLAG. 51 N. Amerika , ook M. Ameinka begrepen is ; daarna ging ik de namen der Genootschappen, wier publicaliën wij hebben, en de titels der afzonderlijk versciiijnende periodieken alphabetisch plaatsen , terwijl in 't geval dat een genootschap meer dan één orgaan heef t , deze onderling weder alphabetisch volgen. Een volgorde naar de stad van uitgave, iets wat tegenwoordig ook voor catalogi aangenomen wordt , schijnt mij onpractisch , daar vaak een tijdschrift door een genootschap uitgegeven wordt in eene andere stad, dan die waar het zijn zetel heeft, zooals dat b.v. bij onze Vereeniging, de Ned. Dierk. Vereeniging en anderen het geval is , en ik geloof niet dat men bij 't zoeken naar een titel, haast ooit denkt « waar wordt het uitgegeven » of begint met daarnaar te zoeken. Men vindt den naam van 't genootschap of van 't tijdschrift geciteerd, en dien gaal men zoeken in den catalogus; ook zonder index, moet dat zoo makkelijk mogelijk zijn. Met een en ander kwam ik einde Januari klaar; aan de leden werd eene circulaire gezonden , dat men weder op nieuw leenen kon, en nu maakte ik een begin met 't maken der nieuwe cata- logi, in de eerste plaats dien van H. Heys. De leden zullen later bemerken in welk een mate de boekerij sints 1872 toegenomen is; het aantal boekdeelen zal de 7000 eer overtreffen dan er onder blijven. Afgezien van de kasten in 't fondskamertje, zijn op 't oogenblik 320 M. plank in gebruik. Ten einde later beter verantwoordelijk voor den inhoud der catalogi te kunnen zijn, neem ik van elk boek op nieuw den titel over , en gebruik de oude boekenlijst alleen om na te zien , of ik wel alles heb, wat in 1872 aanwezig was. Er gaat wel veel tijd mede heen , maar naar ik meen , is zulks de eenige manier om zuiver werk te verkrijgen. "Wat 't bezoek der leden aan de bibliotheek aangaat, 't volgende. Gedurende de Kerstdagen kwam de heer v. Rhijn , in Leiden ge- logeerd, eenige informatiën nemen; van de beeren Horst en van Lidth de Jeude kreeg ik een belangstellend bezoek , de heer de Graaf kwam boeken over insecten-anatomie nazien, uw Voorzitter is meermalen de vorderingen en veranderingen komen inspecteeren , 52 y E R s L A G. de heer Ritsema bezocht mij om een of ander na te zien of om mij met zijn geheugen terecht te lielpen. Een en ander over 't tijdvak van een jaar. Niet diuk dus, maar 't is dan ook veel ge- makkelijker en goedkooper zich de boeken te laten toezenden , dan ze zelve te komen halen. Dat er weder gebruik der boeken gemaakt wordt , ondervindt ik met groot genoegen. Naar Apeldoorn, Nij kerk , Bergen op Zoom, Amsterdam, Rotterdam, lerseke, Utrecht, den Haag, Zevenhui- zen, Exaeten bij Roermond moesten pakketten of kisten verzonden worden. Wat de vermeerdering der boekerij sints 17 Juli 1897 aangaat, daaromtrent zal men een lijst in 't gedrukt verslag over deze ver- gadering vinden ('t voorlezen zou nu te veel tijd innemen), alleen wensch ik er bij op te merken, dat ik daarin niet op nam wat voor 1 Jan, 1898 inkwam, evenmin die tijdschriften, wier loopend deel op dat tijdstip nog niet afgesloten was. Deze laatste zult u in den nieuwen catalogus vinden; de lijst dus, die ik nu inlever, is tevens 't eerste supplement. Indien mij de gelegenheid daartoe gegeven zal worden , wensch ik volgende jaren de goede , en door vele leden zeer op prijs gestelde gewoonte van onzen oud-bibliothe- karis na te volgen, om n.l. telken jare een overzicht te geven van den entomologischen inhoud der tijdschriften. Na 1 Jan. 1898 kwamen geschenken in van 't Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van de beeren Ritzema Bos, de Man, Everts, Oudemans (Amsterdam), Piepers, Leesberg, Wasmann, Reuvens, Scudder, Mac Lachlan en van de Smithsonian Institution, terwijl ik niet nalaten kan uw aandacht te vestigen op een belangrijk geschenk, in 't laatst van 1897 door onzen penningmeester gezonden, n.l. de 29 eerste jaargangen van «Science Gossip j) met de belofte er bij , ook 't vervolg te zullen geven. Een nieuwe ruil is aangegaan met de uitgevers van het «lUu- slrirle Wochenschrift für Entomologie.» Eindelijk nog een voornaam iets, vooral voor de naaste toekomst en voor de kas der Vereeniging: 't onderhoud der boekerij, 't binden. Ik heb dezer d;)2;en met den boekbinder Labree 't aller- V EB s L A G. 53 noodzakelijkste nagegaan, en getaxeerd tegen de meest billijke bibliotheeks-prijzen. Daarbij blijkt 't volgende: in de bibliotheek A, zijn ongeveer 100 deelen van 20 tijd- schriften in te binden of in te naaien, waarmede ± _/ 135.50 gemoeid is, en dit zijn nog maar de allernoodzakelijkste; verder 2 separaat- werken in afleveringen , samen 7 deelen , voor /" 1 ; In de bibliotheek B, waarvan 't onderhoud verplichtend is ge- steld door wijlen den schenker, eveneens ongeveer 100 deelen, over 14 tijdschriften, kostende ± f 125.50, en 6 separaat-werken in afleveringen, samen 13 deelen, voor ƒ 40. Hierbij is nog niet gerekend 't binden der deelen van de «Biologia Centrali- Americana j;, dat wegens de vele platen per deel ± ƒ 6 kosten zal. Samcngerekend wacht u dus de noodzakelijke uitgaaf van onge- veer / 311 , welke kosten echter zoowel 't gebruik als 't behoud der boeken ten goede zullen komen. Hiermede is mijn verslag ten einde. Mag ik nu, aan 't slot, vooruitloopen op een besluit, straks door de vergadering te nemen , dan kan ik niet nalaten den innigen wensch uit te drukken, dat ik nog meermalen in staat moge zijn in uw midden verslag over de bibliotheek , maar dan als biblio- thekaris, af te leggen. De Eere-Voorzitter verzoekt thans den President bij de be- handeling van punt 4 der agenda de leiding der vergadering op zich te nemen, waaraan deze gaarne voldoet. De President deelt mede, dat de leden door het bestuur bij circulaire op de hoogte zijn gesteld van de moeilijkheden, waarin de vereeniging is gekomen door het bedanken van den heer Ritsema als bibliothekaris , doch wenscht hij , voordat hij het debat over dit punt opent, een dezer dagen ontvangen schrijven voor te lezen, waarin Dr. Kerbert als directeur van het genootschap « Natura Artis Magistra » eene zaal boven het kantoor aan onze vereeniging tot huisvesting der bibliotheek kosteloos aanbiedt, onder nader met het bestuur vast te stellen voorwaarden. 54 VERSLAG. De heer van der Wulp vindt, dat het aanhod van Arfis moeilijk thans behandeld kan worden, daar het bedoelde schrijven in zeer vage termen is gesteld; hij vermoedt dat het vaststellen der voorwaarden tot onoverkomelijke moeilijkheden zal leiden. Het voorstel van den heer Reuvens is echter geheel gereed in de cir- culaire vermeld en de aanneming hiervan lacht hem zeer toe, hoewel hij niet kan verzwijgen, dat verscheidene bezwaren zich bij hem hebben voorgedaan. Het verplaatsen der bibliotheken naar Oosterbeek maakt de Vereeniging bepaald afhankelijk van den heer Reuvens, die, mocht hij veel andere bezigheden aldaar krijgen , weleens niet in staat konde zijn de belangen onzer Vereeniging in het oog te houden, en in welk geval de bibliotheek weder verplaatst zou moeten worden. Ook wenscht hij den heer Reuvens er opmerk- zaam op te maken, dat het ambt van bibliothekaris het in- en uitpakken en het verzenden van pakken boeken medebrengt en dit niet altijd een van de aangenaamste bezigheden is. De President merkt op, dal verscheidene der bezwaren van den heer van der Wulp steeds zullen voorkomen en dat de heer Reuvens reeds gedurende bijna een jaar de zorg voor de bibliotheek geheel op zich heeft genomen en dus nu reeds weet wat er aan het naar wensch vervullen van zijn taak vast is. Het staken van de uitleening van boeken was eene noodzakelijkheid, omdat alles nieuw geordend moest worden en het bestuur heeft kort geleden zich kuimen overtuigen, dat de tijd, waarin het uitleenen gestaakt was, door den heer Reuvens gebruikt is tot het geheel in volgorde zetten der bibliotheken, een werk, dat men niet te gering moet schatten. De heer Reuvens kan de bezwaren van den heer van der Wulp grootendeels opheffen door te verklaren , dat hem te Ooster- beek geen bepaalden werkkring wacht en hij dus veel meer lijd aan de bibliotheken kan geven, dan eenig ander bibliothekaris daarvoor ooit zou beschikbaar hebben. Daar de bibliotheek bij zijne woning zal geplaatst worden, zal het ook gemakkelijker zijn V E R s 1/ A G. 6& eenig werk aldaar onder zijn toezicht te laten doen en zullen de leden bij eventueele bezoeken aan de bibliotheek het gemak hier- van ondervinden. De heer Piepers betuigt zijne groote ingenomenheid met het aanbod van den heer Reuvens en zou het voor onze Vereeniging onverantwoordelijk vinden, a's dit niet dadelijk werd aangenomen. De bezwaren, die zich thans voordoen, zullen zich bij ieder ander voorslel ook doen gelden, terwijl dit aanbod het gunstig resultaat voor de kas onzer vereeniging voor heeft, dat het eene besparing van ± f 400. — 'sjaars veroorzaakt, welk geld op zeer nuttige wijze tot aankoopen van boeken kan worden gebruikt. Reeds door de manier, waarop de heer Reuvens zijn taak heeft opgevat, heeft hij bewezen, dat hij juist de man is noodig om als bibliothekaris onzer vereeniging op te treden en raadt hij dus de aanneming van dit voorstel ten zeerste aan. De heer Uyttenbogaart acht het wenschelijk , dat het bestuur , voordat het aanbod van den heer Reuvens wordt aangenomen , eerst nog aanvrage de voorwaarden , waarop Artis de lokaliteit wil afstaan aan onze vereeniging, daar het na kennisneming dezer voor- waarden eerst mogelijk zal zijn te beoordeelen welk besluit in het belang onzer Vereeniging zal moeten worden aangenomen. De heer A. C. Oudeiiians Jsz. acht uitstellen zeer nadeelig voor onze vereeniging, daar onze bibliotheek, zoodra zij goed gecatalo- giseerd is, een van de aantrekkelijkheden voor nieuwe leden uit- maakt en al het mogelijke in het werk dient gesteld te worden om dit doel spoedig te bereiken. De heer Yeth acht het ook bijna niet mogelijk dat Artis nog gunstigere voorwaarden zal stellen en wenscht dus het voorstel van den heer Reuvens te steunen. De heer Groll acht eene eventueele vei'plaatsing naar Artis ^ 56 VERSLAG. wat betreft de bibliotheek Hartogh Heys bepaald onmogelijk , daar in de akte, waarbij deze bibliotheek aan onze vereeniging wordt overgedragen, vermeld wordt, dat deze steeds onder haar beheer en geheel afzonderlijk moet gehouden worden. De heer Jentiük acht verplaatsen van de bibliotheek niet wen- schelijk en , hoewel hij over den heer Reuvens als bibliophiel gunstig denkt, acht hij het vinden van een geschikt persoon te Leiden om als bibliothekaris op te treden , volstrekt niet onmogelijk. Hij stelt dus voor de beslissing over de verplaatsing der biblio- theken tot de a. s. wintervergadering aan te houden , in welken tusschentijd de zorg voor de bibliotheken wel door hem en Dr. Horst zullen worden waargenomen. Zij zullen dan kunnen beoordeelen , welke de werkzaamheden hieraan verbonden , zijn en naar een geschikt persoon omzien. Ook kan men dan trachten nog voordeeliger aanbiedingen te krijgen , daar de tijd daartoe te kort is geweest. De heer ReuveilS wijst er op, dat wanneer mocht worden aangenomen wat de heer Jentink voorstelt, de verdere catalogi- seering der bibliotheeken weder langen tijd zal uitgesteld worden en de leden het ongerief van het missen van volledige catalogi nog langer zullen ondervinden. Ook kan hij thans niet beslissen , of zijn aanbod nog van kracht zal zijn , wanneer de winterver- gadering het besluit daarover eerst zal nemen. De heer Uytteillbogaart acht Oosterbeek ongeschikt voor de plaatsing der bibliotheken en zou deze, wanneer verplaatsing bepaald noodzakelijk is, liever overgebracht zien naar een der groote steden , daar het bezoeken der bibliotheken dan voor de leden gemakkelijker zou zijn, waarop de heer Siiellen hem ant- woordt, dat bijna geen leden persoonlijk boeken komen raadplegen in de bibliotheek, maar steeds de verlangde werken aan huis ter leen vragen. De verplaatsing kan in dit opzicht dus geen bezwaar opleveren. VERSLAG. 57 De heer Yeth heeft met belangstelling het voorstel van den heer Reuvens vernomen en vindt dit zeer aannemelijk. Vooral heeft de overbrenging naar Oosterbeek voor, dat de bibliotheken daar in de onmiddelijke nabijheid van de woning van den heer Reuvens v^^orden geplaatst , zoodat aan elk lid door dezen zonder veel moeite den toegang tot het lokaal kan verschaft worden. Bij het bezoeken der bibliotheek te Leiden had men altijd de gedachte, dat men den bibliothekaris noodzaakte zijn werk te laten liggen en gaf men dan de voorkeur aan het ter leen vragen der ver- langde werken. De heer Brailts vindt Oostei'beek zeer geschikt. Het dorp is zeer gemakkelijk uit alle plaatsen van ons land te bereiken en de aanwezigheid der bibliotheken aldaar zal door de leden uit het oosten van ons land zeer op prijs worden gesteld, Ie meer daar de universiteits-bibliotheken zich alle meer in het westen bevinden. De heer Uyttenbogaart stelt thans voor de verdere behandeling van dit punt van de agenda tot de wintervergadering aan te houden, hetgeen echter geen instemming vindt; zoodat de heer Leesberg hierop de stemming over het aanbod van den heer Reuvens vei'zoekt. Het aanbod van den heer Reuvens wordt met 20 stemmen voor en 2 stemmen blanco aangenomen en aan het bestuur op- gedragen de voorwaarden met den heer Reuvens nader vast te stellen. De heer Snellen wordt tot lid van het bestuur herkozen, terwijl voor den heer Ritsema, die verzocht heeft , wegens drukke bezigheden , niet meer in aanmerking te komen, de heer Reuvens als Bestuurs- lid wordt benoemd. Aan de orde is de keuze van de plaats, waar de volgende omervergadering zal gehouden worden. Daartoe worden Doetinchem met eene excursie naar het Montferland , Arnhem, Amersfoort en Apeldoorn aanbevolen; doch blijkt uit de gehouden stemming, dat Doetinchem gekozen wordt. Tijdschr. v. Entom. XLI. 5 58 V E E s L A G. Bij de daarop gehouden stemming voor een Eere- Voorzitter , die de leiding van deze vergadering zal hebben , behalen de beeren Brants en Veth een gelijk aantal stemmen; doch verklaart deze eerste eene benoeming als zoodanig niet te kunnen aannemen , daar hij in den tijd, waarin de zomervergadering gewoonlijk wordt gehouden, niet altijd zeker is, zijn woonplaats te kunnen verlaten wegens zijne bezigheden. Alsnu wordt de heer Veth bij eene nieuwe stemming tot Eere-Voorzitter gekozen , welke benoeming deze zich gaarne laat welgevallen. De heer J, Th. Oudemans wenscht thans naar aanleiding der voorrede van het kort geleden uitgekomen werk van Dr. G. G. J. Vosmaer, getiteld: «Welke Periodica Zoologica kunnen in de Neder- jandsche openbare bibliotheken geraadpleegd worden », de vraag tot het Bestuur te stellen , welke reden het gehad heeft om Dr. Vosmaer niet in de gelegenheid te stellen zijn arbeid, wat de entomologie betreft, vollediger te kunnen maken. In die voorrede toch zegt de schrijver: «zoo zijn de uiterst gebrekkige opgaven, wat betreft entomologische tijdschriften , voornamelijk hieraan te wijten , dat mij , geen lid van de Ned, Ent. Vereeniging , den toegang tot haar bibliotheek volstrekt geweigerd is », waaruit men zou kunnen besluiten , dat het Bestuur geweigerd heeft Dr. Vosmaer de noodige opgaven voor zijn werk te verschaffen. De heer van der Hoop heeft ook met leedwezen bedoelde woorden in de voorrede van het werk van Dr. Vosmaer gelezen en zich direct hierna tot den schrijver om inlichtingen gewend , daar hem niets van een dusdanig verzoek bekend was. Hij mocht daarop het volgend antwoord van Dr. Vosmaer ontvangen : « In antwoord op uwen brief van April 3, heb ik de eer U te melden , dat ik mij eenige jaren geleden , toen ik in Leiden verschillende bibliotheken bezocht , heb gewend tot den heer Bitsema , zoo ik vernam, bibliothecaris van de Ned, Entom. Vereeniging. Toen ik Z.Ed. mijn plan had uitgelegd en derhalve verzocht ook in de bibliotheek der Ned. Entom. Vereeniging te worden toegelaten , heb V E E s L A G. 59 ik ten antwoord ontvangen , dat dit « onder geen voorwaarde » kon geschieden, U zult mij ten goede houden , dat ik daarna geen verdere pogingen in het werk stelde tot de bibliotheek door te dringen.)) De heer Ritsema kan mededeelen, dat Dr. Vosmaer indertijd hem mondeling verzocht heeft verschillende titels in de bibliotheek op te nemen , wat hem , als zijnde geen lid der Vereeniging met het oog op de wet, natuurlijk niet kon worden toegestaan. Het bevreemdt hem dus ten zeerste, dat Dr. Vosmaer daarna geen pogingen heeft gedaan om de verlangde opgaven langs een anderen weg te verkrijgen, daar toch in versclieidene bibliotheken de catalogi der onze aanwezig zijn en de supplementen daarop in het Tijdschrift voor Entomologie te vinden zijn. Had hij hieruit zijne bouwstoffen geput en het manuscript aan het Bestuur der Ned. Entom. Vereeniging ter correctie en aanvulling gezonden, dan ware de aangehaalde zinsnede in zijne voorrede overbodig geweest en had zijn werk zeker voor entomologen ook waarde gekregen. Vermoedelijk heeft Dr. Vosmaer toch ook wel niet in al de opge- geven bibliotheken de tijdschriften deel voor deel nagezien, maar zich daartoe bediend van de bestaande catalogi. De heer Snellen wenscht in de eerste plaats te consta teeren, dat de Bibliotheek der Nederlandsche Entoniologische Vereeniging geenszins eene «openbare» is en ten tweede dat de heca* Ritsema door zijne weigering volkomen volgens de wet heeft gehandeld; geroepen om die wet te handhaven, kan het Bestuur dit zeker niet afkeuren. Toch betreurt Spreker het , dat Dr. Vosmaer daarna niet op de gedachte is gekomen zich met zijnen wensch, waarvan het Bestuur q. t. door hem volkomen onkundig is gelaten , schrif- telijk tot hetzelve te wenden , verzoekende om hem te helpen. Zulks ware de geregelde weg geweest en in dat geval had het Bestuur zeker gaarne op de eene of andere wijze zijne medewerking aan Dr. Vosmaer verleend. Door het nalaten van alle verdere pogingen is dus helaas de samensteller van den bedoelden catalogus 60 VERSLAG. zelf, niet het Bestuur der Entomologische Vereeniging, er schuld aan dat het werk zoo onvolledig is gebleven. De heer Brailts stelt thans voor het Bestuur op te dragen het Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres, in opdracht waarvan Dr. Vosmaer zijn werk geschreven heeft, mede te deelen , dat de bedoelde zinsnede in de voorrede niet duidelijk is, daar men uit deze zou kunnen besluiten , dat het Bestuur alle mede- werking aan Dr. Vosmaer had geweigerd , hetgeen geheel onjuist is. Dit voorstel wordt met algemeene stemmen aangenomen. Pater Wasiliann (Exaeten) macht zuerst einige Bemerkungen über das neu erschienene Werk von Jhr. Dr. Ed. Everts «Coleoptera Neerlandica». Dasselbe besitzt nicht bloss für die Kennlniss der niederländischen Coleopteren- fauna eine epochmachende Bedeutung, sondern wird auch, namentlich wegen den sorgfältigen vergleichend morphologischen Uebersichten , die in jenem Werke gegeben sind , ausserhalb Hollands die verdiente Anerkennung finden und dem Niederländischen Entomologischen Verein sehr zur Ehre gereichen. Auch bezüglich der biologischen Angaben , insbesondere bei den Myrmekophilen, ist jener erste Band der Coleoptera Neer- landica als mustergiltig zu bezeichnen. Sodann t heilt H. Wasmann Einiges mit über Myrmehophilen. Anfang Juni dieses Jahres ist es ihm endlich (nach 14-jährigem ver- geblichen Suchen) gelungen ,Chennium bituberculatum Llr. l)ei Tetrameri um caespitum (Exaeten) zu entdecken, nach- dem er die Larven jenes Käfers bei'eits 1895 bei Valkenburg und bei Exaeten in Tetrameri u m-Nestern gefunden hatte. Obwohl Tetramorium caespitum ein weites Verbreitungs- gebiet hat, das von Nordafrika bis Scandinavien reicht , so ist diese Ameise doch in Süd-und Mitteleuropa weit häufiger als im eigent- lichen Nordeuropa. Bei uns in Hell. Limburg bevorzugt sie die trockensten und heissesten Nestplätze auf der Haide , an Waldrändern etc., wo sie sehr gemein ist und oft sehr volkreiche Kolonien hat. V E K s Ti A 6. 61 Nach Forel's Beobachtiinsfen sind ihre Nestei' in Norwegen nur sehr spärlich und individuenarm. Ganz besonders beweisen jedoch die Gäste von Tetramoriu m , dass diese Ameise eine vorzugs- weise südliche Form ist, welche ihr Verbreitungsgebiet erst nach den Eiszeiten des Diluviums allmählich wieder weiter gegen Norden ausgedehnt hat. Die charakteristichen echten Gäste von Tetramorium aus den Pselaphidengattungen C h e n n i u m und Cent roto ma zählen in Südeuropa nnd im südlichen Mitteleuropa eine beträcht- liche Menge von Arten (9 Ghennium und 4 Gentrotoma) während Nordeuropa und das nördliche Mitteleuropa nur eine Art von Ghennium und eine von Gentrotoma aufweisen. Der nörd- lichste bisher festgestellte Fundort van Ghennium b i t u b e r c u- latum ist Exaeten bei Roermond, ungefähr unter dem 50,5 Grad nördlicher Breite. Gentrotoma lucifuga ist bisher nur bis zum 50° n.Br. gefunden worden (Frankfurt a. M. und Prag). Tetra- morium caespitum kommt dagegen noch über den 60° n.Br. hinauf vor, aber, so weit bisher bekannt, ohne jene Gäste. Eine Eigenthümlichkeit der echten Gäste von Tetramorium aus den Gattungen Ghennium, G entro toma und Na poch us besteht darin , dasz diese Käfer in der Halsgegend mit einem gold- gelben Haartomente ausgestattet sind. Dieselbe Eigenthümlichkeit findet sich merkwürdiger Weise bei der gleichfalls tetramoriophilen Proctotrupidengattung Tetra m opri a Wasm. wieder, indem bei ihr die wollige, weisse Behaarung des Gollare, die auch bei man- chen theils myrmekophilen , theils nicht myrmekophilen Verwandten vorhanden ist, in ein goldgelbes Haai'toment umgewandelt ersclieint , welches jenem der obenerwähnten Goleopleren auffallend gleiclit. Der biologische Grund, wesshalb gerade an~ dieser Körper.stelle bei den Tetrameri u m-Gästen jene den Symphilen (echten Ameisen- gästen) eigenthümliche Trichombildung auftritt , ist darin zu suchen , dass Tetramorium gerade der Halsgegend ihrer Gäste besondere Aufmerksamkeit schenkt ; sie hebt dieselben , wie ich beobachtet habe, meist am Halse auf, um sie fortzutragen und beleckt sie überdies besonders häufig in der Halsgegend. Wir haben somit hier einen interessanten Fall von analogen morphologischen Anpassungs- 62 VERSLAG. Charakteren vor uns, die durch analoge biologische Verhältnisse bedingt werden. Ich gebe hier eine Ueberslcht der charahtevisüsclien Gäste von Tetramorium caespitum in Mittel- und Nordeuropa. Die aus- schliesslich südeuropäischen Formen werden hier nicht aufgeführt. Die in Holland voi'kom menden Arten sind mit einem Sternchen bezeichnet. Goleoptera. Pselaphidae: 'Chennium bitu ber cu latum Ltr. Südliches Mitteleuropa , nördlich bis Holland. Chennium Steigerwaldi Rttr. Istrien , Kroatien, Bosnien. Cent rotoma lucifuga Heyd. Süd- und Mittel- europa bis Prag und Frankfurt a. M. Centrotoma rubra Saulc. Südfrankreich, Spanien, Südtirol, Böhmen bis Prag (Collect. Wasm.) Centrotoma Ludyi Rttr. Südtirol i). Am au r onyx Maerkeli Aub. ^) Mittel- und Nordeuropa. Scydmaenidae: Napochus chrysocomus Saulc. Südeuropa und südliches Mitteleuropa bis Böhmen (Prag). Staphylinidae: Lamprinus ery t hrop t e r u s Panz. Mittel- europa. Hymenoptera. Formicidae. : *Strongylognathus testaceus Schenk. Mittel- und Nordeuropa. In Holland bei Exaeten. Strongylognathus Hube ri For. Süd- schweiz , Südfrankreich , Nordafrika. 1) Als Wirth gab Eeitter „Lasius flavus" an. Vielleicht handelt es sich jedoch um eine der hellen, gelben, südlichen Varietäten von T e t r. caespitum, da sonst kein einziges C e n t r o t o m a oder Chennium bei Lasius lebt. 2) Diese Art kommt auch bei anderen Ameisen vor u. ist nicht auf Tetra- morium beschränkt. Vgl. Wasmann, Kritisch. Verz. d. myrmek. u. lermitoph. Arthropoden, S 93, VERSLAG. 63 * Anergates at rat ui us Schenk. Mittel- und Nordeuropa. In Holland bei Exaelen. Proctotrupidae: *Tetramopria aurocincta Wasm , Böh- men , Rheinland , Holland (Exaeten). * Tetramopria cincticollis Wasm. Böhmen, Holland (Exaeten). r t h p t e r a. G r y 1 1 i d a e :' M y r m e e o p h i 1 a a e e r v o r u m Panz. Süd- und Mitteleuropa. Nur die kleine Form (Larve) kommt bei Tetramorium vor. Rhynchota. Aphidae: *Pa raclet us cimiciformis Heyd. Ganz Mittel- bis Nordeuropa. In Holland bei Exaeten. A c a r i n a. Gamasidae: *Loelaps Ganestrinii Beri. Süd- und Mittel- europa bis Holland (Valkenburg). A r a n e i n a. Theridiidae: *Acartauchenius scurrilis Chr. Böhmen , Rheinland, Holland (Valkenburg, Exaeten). Von panmp'mekopJiilen Arten sind die folgenden auch Gäste von Tetramorium c a e s p i t u m : Lepismidae: Le pis m ina pol y po da Grassi (Böhmen). Poduriidae: *GyphodeirLis (Beck ia) albinos Nicol. Ganz Europa. 1 s op o da: * Playart hrus Hoffmannseggi Brdt. Ganz Europa. Ueber die myrmekophilen Proctotrupiden und die myrmehophilen Acarlnen von HoU. Limburg wii'd später in eigenen Arbeiten in der Tijdschr. v. Ent. berichtet werden. Hier sei nur die interes- santeste unserer nnyrmekophilen Proctotrupiden , Solenopsia imitatrix Wasm. erwähnt, welche bei der winzig kleinen, gelben Diebs- ameise Solenopsis fugax Ltr. lebt. Schon 1884 entdeckte ich sie bei Exaeten. Das î ist flügellos , das $ hat verkürzte Flügel. Das 2 besitzt einen hohen Grad echter Mhnicri/ , welche wie bei den Gästen des Mimicrytypus , die bei den brasilianischen Wanderameisen Eciton und den afrikanischen Dor y lus leben, auf die Täuschung des Tastsinnes der selu* schwachsichtigen Wirthe 64 VERSLAG. berechnet ist. Eine Aehnlichkeit der Färbung besteht zwischen der schwarzen Solenopsia und den gelben oder gelbbraunen Arbeiterinnen von Solenopsis nicht , da letztere fast blind sind und ganz unterirdisch leben. Dagegen sind viele Einzelheiten der Körperform, besonders aber die Fühlerbildung der kleinen Wespe in hohem Grade den entsprechenden Eigenthümlichkeiten der Wirthsameise ähnlich. Am auffallendsten ist dies bei der lansen , dicken zweigliedrigen Fühlerkeule, die unter den einheimischen Ameisen nur bei Solenopsis und unter den einheimischen Proctotrupiden nur bei den Weibchen von Solenopsia vorkommt. Seit den letzten vier Jahren bin ich mit einer Statistik der sanguine a-Kolonien bei Exaeten auf einem Gebiete von 4 Quadrat- Km. beschäftigt; dieselbe soll im nächsten Jahre vollendet werden. Der Zweck derselben ist der statistische Nachweis des ursächlichen Zusammenhanges der pseudogynen Arbeiterform von F. sanguinea mit Lomechusa strumosa, bezw. mit der Erziehung der Larven dieses Käfers durch die Ameisen. Bisher (Ende Juni '98) umfasst jene Statistik 370 Kolonien mit über 1000 Nestern, indem nämlich eine Kolonie meist mehrere Nester besitzt. Die Kolonien sind auf einer Karte nach ihrer Oertlichkeit eingetragen und mit Nummein bezeichnet ; dieselbe Nummer befindet sich aut einer kleinen Schiefertafel , die bei jeder Kolonie in die Erde gesteckt ist. Die Nester sind mit abgestochenen Haidekrautschollen belegt, unter denen die Ameisen bauen. Da die Schollen allmählich zerfallen, und häufig auch , ebenso wie die Nummern , durch unberufene Hände fortgeworfen werden , erfordert jene Statistik eine beträchtliche Arbeit. zumal die einzelnen Kolonien regelmässig besucht, die Befunde notirt und dann in eigene Notizbücher eingetragen werden müssen. Die Ergebnisse sind übrigens nicht bloss für die Lomechusa- Pseudogi/nen-Theorie , sondern auch für die Kenntniss vieler anderer Punkte in der Lebensweise von F. sanguinea belangreich. Bezüglich des Zusammenhanges der Pseudogynen mit Lomechusa seien hier nur folgende Punkte erwähnt. (Die Pseudogynen-haltigen Kolonien erhalten auf der Karte einen blauen, die Lomechusa- haltigen einen rothen Strich.) VERSLAG. 65 1. Die Lomechiisa-Bezirke und die Pseudogynen-Bezirke fallen stets zusammen. 2. Die Pseudogynen-haltigen Kolonien sind die Centren der Loraechusa-Bezirke. 3. Ausserhalb der Lomechusa-Bezirke finden sich keine Pseudo- gynen-haltigen Kolonien. 4. Eine Reihe von früher nicht Pseudogynen-haltigen Kolonien hat in den letzten drei Jahren bereits dui-ch Aufzucht der Lome- chusa-Larven Pseudogynen bekommen. Auf das ^cHe jenes Zusammenhanges kann hier noch nicht näher eingegangen werden. De heer van der Wulp laat in de eerste plaats eenige Oost- Indische Asiliden ter bezichtiging rondgaan , ook in verband met een opstel , dat eerlang van hem in het Tijdschrift zal worden geplaatst. 1". Microstyluiii Vlca Walk., uit Engelsch Indie, de type van eene groep van geheel zwarte soorten, met zwarte, paars- weerschijnende vleugels, waartoe ook de onlangs door hem in de «Notes from the Leyden Museum » beschreven , nog grootere M. Oberthürii behoort. 2". Een fiaai vrouwelijk exemplaar van Laphria gïgas Macq. , door Fruhstorfer van Java medegebracht en in het Brusselsche Museum terecht gekomen (de heer Severin zond het aan spreker ter determinatie). Tot dusver was de soort nog niet van Java bekend; de exemplaren in het Leidsch Museum zijn van Borneo. S*^. Eene Laphria, die in grootte met de vorige overeenkomt, doch overigens zeer gelijkt op L Belmoardiü Wied. en eene nieuwe soort scliijnt te zijn. 4", Laphria leucoprocta Wied. van Java. Wiedemann beschreef indertijd deze soort uit het Leidsch Museum , maar de exemplaren schijnen daar verloren te zijn geraakt; thans is zij op Java weer- gevonden. 5". Michotamia analis Macq. , ook eene Javaansche Laphrine , maar die zich onderscheidt door het aan de basis sterk verdunde 66 V E R s 1. A o. achterlijf en daarom door Macquart lot een afzonderlijk geslacht is gebracht. 6". Promacims leonimis Löw , zeer kenbaar aan het geel en zwart gebandeerde acliterlijt en aan de sneeuwwitte haarvlok op de mannelijke genitaliën. De soort is door Löw beschreven naar exemplaren van de Grieksche eilanden en van Klein-Azië; maar het blijkt nu, dat zij veel verder oostelijk is verbreid en o. ,a. in de Himalaja-streek veelvuldig moet voorkomen. De hier ver- toonde exemplaren zijn van Darjeeling. 7*^. Eene tot dusver onbeschreven üooTi\an Ällocofasia,o^ ]di\a. door Fruhstorfer gevangen; zij is vooral kenbaar aan het bijzonder lange en dunne, naaldvormige derde sprietlid, en de betrekkelijke korte eindborstel, die aan het uiteinde met eenige fijne haren bezet is. In de tweede plaats laat de heer van der Wulp nog eenige vliegen zien , die door hare ongemeen fraaie kleuren uitmunten. Vooreerst vier exemplaren van eene tot het geslacht Calliphora te rekenen, waarschijnlijk nieuwe soort van Nieuw-Guinea, die door hare gele en zwarte teekening zeer afwijkt van onze zoo gewone inlandsche soorten van dat geslacht; zij zal, met nog verscheidene andere Nieuw- Guineesche Diptera, door Dr. Kertész te Budapest worden beschreven. Voorts drie exemplaren van Rutilia mirabilis Guér. , mede van Nieuw-Guinea afkomstig en zeer in 't oog vallend door hunne grootte en de prachtige metallieke kleuren, waarmede zij versierd zijn. Eindelijk eene fraaie vlieg van Braziliaanschen oorsprong, lihapJdocera armata Wied., waarbij eene zeer regel- matige zwarte teekening op de lichtgroene grondkleur gepaard gaat met een sierlijken lichaamsvorm. Al deze voorwerpen zijn ongemeen frisch en gaaf. De heer Piepers deelt het volgende mede: In het bekende Engelsche weekblad Nature van 19 Mei 1898, trof ik een kort verslag aan van een in het Journal of the Asiatic Society of Bengal geplaatst opstel van F. Finn betreffende het eten van dagvlinders door vogels. Ik zal mij , totdat ik dat opstel zelf heb kunnen machtig worden , van een oordeel daarover onthouden ; VERSLAG. 67 voor één hoogst belangrijk punt is echter dit verslag al voldoende en dit wensch ik hier dan even mede te deelen. Volgens den ge- noemden onderzoeker zouden dan de volgende vlinders , welke alle , naar hij zegt, zoogenaamde waarschuwende kleuren dragen , namelijk Danaïden, Acraea violae F., Tliyca {Delias) EucJiaris Drury en Papilio AristolooJdae F. , en bovenal de laatstgenoemde niet dan met tegenzin door de vogels worden gegeten. Welnu deze Papilio AristolocJdae over welke ik reeds in mijne bijdrage op het vorige (3\) internationale Zoölogische Congres heb gesproken , bezit volstrekt geene andere kleuren dan die welke aan de gansche groep PapiÜonideti waartoe zij behoort , en die uit de Polydorns- en de Pammon-^XQ&^Qn van Wallace bestaat, eigen is, in welke alle soorten en polymorphe vormen verschillende stadiën vertoonen eener verandering der oorspronkelijke roode kleur in zwart, waarbij later ook het wit begint op te treden. De uiterste kleurvormen, die daarvan thans aanwezig zijn, vindt men in Papilio Rector L. , zwart met nog veel rood en geen wit , en P, Poli/les L, rsfoorl. {18S1 --88). * Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsclie Veerkade 15, te 's Gra- venhage. — Araneïden. (1856 — 57). L. W. Havelaar, Wilhehniiiasiraal 21, te Haarlem. — Lepidoptera- (1887--88). * F. J, M. Heylaerts, Haagdij h , B 377, te Breda. — Lepidoptera enz. (1866—67). * Dr. J. van der Hoeven , Mauritsweg 62 , te Rotterdam. — Coleoptera. (1886- 87). J. van den Honert, Stadhouder akade 126, te Amsterdam. — Lepi- doptera. (1874—75). * D. van der Hoop , Scheepstimmermanslaan 7 , te Rotterdam. — Coleoptera. (1882—83). Dr. R. Horst, Conservator bij 's Rijks Museum van natuurlijke historie, Nienwsteeg, te Leiden. (1882 — 83). Dr. M. Imans, te Utrecht. (1851—52). J. Jaspers Jr. , Plantage Lijnbaansgracht 1 1 , te Amsteidam. — ■ Inlandsche Insecten. (1880—81). Dr. F. A. Jentink , Directeur van 's Rijks Museum van natuurlijke historie, Rembrandt-straat , te Leiden. (1878—79). * J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D 368, te Dordrecht. — Lepi- doptera. (1858—59). N. A. de Joncheere, te Dordrecht. — Lepidoptera. (1886—87). D. J. R. Jordens, Sasseiipoorterwal , F 3471, te Zwolle. — Lepidoptera, (1863-64). * Dr. F. W. O. Kallenbach,te/ïo«errfaw. — Lepidoptera. (1868 -69). J. Z. Kannegieter, Assistent bij den heer Neervoort van de Poll, te Rijsenburg, (prov. Utrecht). (1889—90). * K. J. W. kempers, te iMjkerk. - Coleoptera. (1892—93). Dr. C. Kerbert, Directeur van het Koninkl. Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra, Plantage Middenlaan, hoek Badlaan 70, te Amsterdam. (1877—78). * J. Kinker, Keizersgracht CC 580 ^ te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena. (1860—61). J. D. Kobus, te Pasoeroean, {Java) (1892 — 93). * Dr. J. C. Koningsberger, Landbouw Zoöloog aan 's Lands Plauten- tuin, te Buitenzorg. (1895—96). H. J. H. Latiers, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool te RoUluc Kerkradc. — Coleoptera en Lepidoptera. (1893 — 94). 92 LIJST DER LEDEN ENZ. * A. A. van Pelt Lechner, Burgemeester van Zcvcnlniizrn, bij Gouda. — Lepidoptera. (1892—93). * Mr. A. F. A. Leesberg, Jan [Ii'iidril;stmal 9, te 's Gravoi/iatji'. — Coleoptera. (1871—72). Dr. Th W. van Lidth de Jeude, Conservator bij 's Rijks Museum van natuurlijke historie, BooinmarlU, te Leiden. — Anatomie der Insecten. (1883—84). Dr. J. C. C. Loman, Leeraar aan het Gymnasium, Voiidelhade 79, te AinsU'i-dam. — Opilionidae. (1886 — 87). P. J. Lukwel Jr., te 's Gravenharje. — Coleoptera. (1894 — 95). * Dr. T. Lycklama à Nyeholt , Weslersingel 83 , te Rotterdam. — Lepidoptera (1888—89). H. J. Lycklama à Nyeholt, Westersbigel 83 , te Bo tlerdam. (1826- 97). * Dr. J. G. de Man, te Ycrseke. — Diptera en Crustacea. (1868 — 69). J. ter Meulen Jrz., Keizersgracht 686, te Amsterdam (1893 — '94). Dr. J. C. H. de Meijere, Conservator der entomologische en ethno- graphische Musea van het Kon. Zool. Genootschap /'Natura Artis Magistra" Oosterpark 5, te Amsterdam. — Diptera. (1888 — 89). Dr. G. A. F. Molengraafif, te Pretoria, Zuid- A f rik. rep. — Lepidoptera. (1877—78). * H. F. Nierstrasz , Phil. nat. stud. , Predikheerenstraat 2 , te Utrecht. — Lepidoptera (1890—91). Dr. A. C. Oudemans Jsz. , Leeraar aan de Hoogere Burgerschool, Boulevard, te Arnltem — Acarina (1878 — 79). * Dr. J. Th. Oudemans, Conservator der Zoölogische Musea van de Universiteit, Oosterpark 52, te Amsterdam. — Macrolepidoptera , Hymenoptera, Thysanura en Collembola (1880 — 81). J. D. Pasteur, Inspecteur der Telegrafie, te Bnitenzorg, Java (1894 — 95 j. * Dr. E. Piaget^ aux Bayards, Neuchàtel {Zwitserland). — Diptera en Parasitica (1860 — 61). * Mr. M. C. Piepers, Oud-Vicepresident van het Hoog Gerechtshof van Ned. Indie, Noordeinde lOa, te'sGravenhage. — Lepidoptera (1870—71). * J. R. H. Neervoort van de Poll, Huize Beukensteiu, te Rijsenhurg (prov. Utrecht). — Coleoptera (1883—84). * Dr. P. H. J. J. Ras, Velpcrweg 56a, te Arnhem (1876—77). Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Oud-hoogleeraar aan 's Rijks Universiteit te Utrecht. — Algemeene Zoologie (1866 — 67). Dr. H. C. Redeke, Assistent van den Weicnschappelijken Adviseur in Visscherij -zaken. Zoölogisch Station, te Helder. — Cecidiën (1893—94). Dr. C. L. Reuvens, Conservator bij 's Rijks Museum van natuurlijke historie te Leiden (1889—90). L. J. van Rhijn, te Bergen op Zoom. — Macrolepidoptera (1894 — 95). LIJST DEB I/EDEN ENZ 93 * C. Ritsema Cz., Conservât oi- bij 's Rijks Museum van natuurlijke historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Entomologie (1867—68). Dr. J. Ritzema Bos, Buitengewoon hoogleeraar aan de Universiteit, Roemer Visscherslraat 3, te Amsterdam. — Oeconomische Ento- mologie (1871—72). * Mr. E. A. ds Koo van Westmaas Huize Daalhuizen, te Velp. — Lepidoptera (1855 — 56). * G. van Roon, Zwartjanslraal 33, te Rotterdam. — Coleoptera (1895-96). * Dr. A. J. van Rossum , Eusebius-pleiu 25 , te Arnhem. — Cimbices enz. (1872—73). Dr. R. H. Saltet , Hoogleeraar aan de Universiteit , Nicolaas Wilsen- kade 48, te Amsterdam (1882—83). M. M. Schepman, te R/ioon. — Neuroptera (1871 — 72). * P. J. M. Schuyt, van VoUeu/wvenstraat 60, te Rotterdam. — Lepi- doptera (1890—91). G. A. Six, De Ruiterstraat 65, te 'sGravenhage. — Hymenoptera (1852—53). * P. C. T. Snellen Wijnhaven (Noordzijde) 45, te Rotterdam. — Lepidoptera (1851—52). J. B. van Stolk, villa Jarpa, Hoogeweg te Schevcningen — Lepidoptera. (1871—72). * P. F. Sijthoff Jzn., Administrateur op de kina-plantage Kertamana/i, in de afdeeling Randoeng, Preanger regentschappen, Java. — Cole- optera (1878—79). H. Uijen, Priemstraat , te Nijmegen. — Lepidoptera (1875—76). * Mr. D. L. Uy ttenbogaart , Keizersgracht 547, te Amsterdam. — Coleoptera (1894—95). * Dr. M. C. VerLoren van Themaat, Huize Schothorst, te Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie (1845 — 46). Dr. J. Versluys jr. , Assistent aan het Zoölogisch Laboratorium , Plantage Middenlaan 80, te Amsterdam. — Coleoptera en Macrolepidoptera. (1892-93). * Dr H. J. Veth, Stationsweg 20, te Rotterdam. — Algemeene Entomologie, vooral Coleoptera. (1864—65). Johan P. Vink, te Nijmegen. — Lepidoptera. (1883 — 84). A. A. Vorsterman van Oijen , te Rijswijk. (1892 — 93). * H. A. de Vos tot Nederveen Cappel , te Apeldoorn. — Lepidoptera. (1888—89). * Joh. de Vries, P. C. Hooftstraat 82, i& Amsterdam. — Lepidoptera. (1884—85). Erich Wasmann, S. J., te Exaeten bij Roermond. — Myrmekophilen en Termitophilen. (1886—87). 94 LIJST DER LEDEN ENZ. H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Bm'gerschool te Middelburg. — Hymenoptera aculeata. (1874 — 75). Dr. Max C. W. Weber, Hoogleeraar aan de Universiteit, Sarphati- kade 3, te Amslmlam. (1886 -87). W. A. F. Zaclï , te Apeldoorn. — Macrolepidoptera. (1894—95). BESTUUR. President. P. C. T. Snellen. Vice-Presidmt. Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts. Secretaris. D. van der Hoop. Bibliothecaris. Dr. C. L. Reuvens. *) Penninçpneestei: H. W. Groll. GOMIVIISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT. P. C. T. Snellen. Jhr. Dr. Ed. J. 6. Everts. Mr. A. F. A, Leesberg. *) Alle pakketten, bestemd voor de bibliotheken der Vereenigin^, te zenden aan het adres van de Bibliotheek der Nederl. Entomologische Vereeniging. Gebouw der , Maatschappij tot Nut van 't algemeen ". Kamer n°. 9. Steenschuur. Leiden.