I CATALOGUS DER NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA (DERDE SUPPLEMENT) DOOR B. J. LEMPKE Amsterdam Dit deel bevat in de eerste plaats het slot van de subfamilie der Plebejinae, ge-volgd door de subfamilie der Theclinae, waarmee de familie der Lycaenidae vol-tooid is. Tijdens het gereedmaken van dit Supplement verscheen een publicatie van D. Murray, The genera of the European Lycaenidae (1954, Entomologist, vol. 87, p. 4 — 11), vi^aarin weer een geheel andere indeling gegeven wordt, dan hier gevolgd is. Voor bizonderheden zij naar het artikel zelf verwezen. Na de Lycaenidae volgen de Nymphalidae. Deze familie verdelen we in de volgende subfamilies: Apaturinae, Limenitiinae, Melitaeinae, Argynninae en Nymphalinae. In dit Supplement komen de eerste drie aan de orde. Voor de be-handeling van de Melitaeinae zijn de verschillende monografieën van HiGGiNS geraadpleegd, gepubliceerd in de Transactions of the Royal entomological Society of London. Voor verdere bizonderheden zie de tekst. LYCAENIDAE Plebejinae Maculinea van Eecke Maculinea arion L. Uiterst zeldzaam en stellig niet inheems. De enkele exem-plaren, die nu en dan met grote tussenpozen gevangen worden, zijn ongetwijfeld zwervers uit omringend gebied. Maar omstreeks het begin dezer eeuw was arion plaatselijk niet zeldzaam en ook DE Gavere meldt uitdrukkelijk, dat de vlinder in 1851 in de omgeving van de stad Groningen gewoon was. Men krijgt dan ook wel de indruk, dat arion hier te lande vroeger inheems was, maar (door minder gunstige oecologische omstandigheden ?) later uit onze fauna verdween. En blijk-baar is het hem niet meer gelukt het verloren gebied weer te herwinnen. Vergelijk ook de Duitse ervaringen ! In Denemarken op Bornholm, Seeland, Moen en Fünen en op verschillende plaatsen in Jutland, maar over het algemeen zeldzaam. In Sleeswijk-Holstein tien-tallen jaren geleden op drie vindplaatsen in Oost-Holstein; bij Hamburg vroeger lokaal en soms niet zeldzaam, laatste bekende vangst twee exemplaren in 1915; volgens Rehberg (1878) bij Bremen, later nooit meer gevonden, behalve één exemplaar vóór 1924; in Hannover lokaal in de omgeving van de stad en in het middelgebergte in het zuiden; in Westfalen lokaal in het heuvel-en bergland; in de Rijnprovincie in het zuiden, door Püngeler nog vermeld van Waldheim. 283