Catalogus der Nederlandsche Macrolepidoptera door B. J. LEMPKE VI. Agrotidae ( vervolg ) . Cuculliinae. Dasycampa Guenée. 402. D. rubiginea Schiff. Verbreid in boschachtige streken op de zandgronden in het geheele O. en Z. in wisselend aantal. 1 gen., half Septr. tot eind Mei (20-9 tot 28-5). V i n d p 1. Dr. : Paterswolde, Schoonoord. Ov. : Hengelo, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Putten, Leuvenum, Nunspeet, Tongeren, Apeldoorn, Twello (bijna ieder jaar), Velp, Arn-hem, Oosterbeek, Bennekom ; Warnsveld, Ruurlo, Aalten, Doetinchem, Bijvank ; Berg en Dal, Ubbergen, Nijmegen, Hatert, St. Jansberg. Utr. : Doorn, De Bilt, Soest. N.H. : Hilversum, Bussum, Amsterdam ( 13-10-27, $, zwerver, v. d. M.). N.B. : Oudenbosch, Bosschehoofd, Bergen op Zoom, Breda, Tilburg, Vught, 's-Hertogenbosch, Gastel, Deurne. Lbg. : Mook, Roermond. Var. Hoewel in de literatuur een vrij groot aantal vor-men beschreven zijn, is de variabiliteit van het tot nog toe bekende Nederlandsche materiaal zeer gering. Wellicht zal de soort meer in het groot gekweekt moeten worden om ook hier de zeldzamere vormen te voorschijn te doen komen. De typische vorm heeft bruingele zwartgestippelde wis. Schiffermüller (Syst. Verz., p. 86) vermeldt den vlinder als de „Holzäpfel Eule" bij groep R : „Röthlicht-braune Eulen. Ph. Noctuae Badiae", zoodat de afbeeldingen bij Keer en S e i t z stellig veel te geel zijn. De tint is inderdaad veel mooier, warmer, dan in deze figuren. Die in South (II, pi. 11, fig. 11 en 12) zijn daarentegen uit-stekend. Bijzonder mooi van kleur zijn H ü b n e r, Samm-lung, fig. 183, en Svenska Fjärilar, pi. 24, fig. 6, van een tint, zooals alleen volkomen versehe exx. die vertoonen. Hoe ouder ze worden, hoe meer het roodbruin verloren gaat