OVER DE STAARTSPITSEN ONZER HETEROCERA-POPPEN DOOR P. HAVERHORST. Platen 14 tot 18. Als imagines zijn de soorten onzer nachtvlinders in de meeste gevallen onmiddellijk van elkander te onderscheiden door de kleurteekening. Ook by de herkenning in den larvetoestand bewijzen de kleuren dikwijls nog goede diensten. Maar bij de poppen is het kleurengamma zoo beperkt, dat het in den regel weinig verder dan van bruinachtig geel door bruinrood tot bruinachtig zwart reikt. Ook een ander kenmerk : dat der beharing, kan bij de determinatie der poppen slechls zelden met voordeel worden aangewend : behaarde poppen komen alleen bij eenige spinners voor. Zoodoende blijft voor het vinden van kenmerken weinig anders dan de uiterlyke vorm over. Maar ofschoon het groote volume van de poppen der pijl-staarten, de gedrongen vorm van die der spinners, de slanke gedaante van die der spanners, de afwijkend gevormde zuiger-scheede bij enkele geslachten of de aanwezigheid van tanden op de ringen ongetwijfeld goede onderscheidingsmiddelen zijn, hun aantal is toch tegenover de groote massa heterocera-poppen geheel onvoldoende. Slechts één orgaan by de pop vertoont eene voor vele farailieëu, geslachten en soorten zeer kenmerkende en groote verscheidenheid van pormen n.l. de staartspits of cremaster.