Aanteekeningen over Suctoria. IX. DOOR Dr. A. C. OUDEMANS. Een entomolügisch raadsel : Welke Insekten hebben een in tweeën verdeelden kop? Het antwoord hierop luidt : eenige vlooien ! De meeste vlooien hebben gewone, onverdeelde koppen, zooals het een fatsoenlijk insekt betaamt. Zulk een kop wil ik caput integrum noemen. Al deze vlooien hebben driehoekige, distaal min of" meer puntige maxillae, en het receptaculum seminis is met zijn kop aan den ductus sperma- ticus bevestigd. Maar er zijn vlooien (hchnopsyllidae), die een kop hebben, welke letterlijk in tweeën verdeeld is, namelijk in een voorkop en een achterkop (pars anterior en pars posterior). De twee deelen zijn zelfs bewegelijk ten opzichte van elkander ! Fig. 1. Kop en prothorax van een IschnopsyUas. 90 A. ('. OüDKMANS, AANTEEKEXIXGEX OVER SUCTORIA. IX. Die bewegelijkheid is niet groot, bestaat hierin, dat zij niet alleen een weinig /ijdelings, maar ook een weinig oj) en neer kan geschieden, en wel om een gewrichtknobbel (con dyl n s), die zich ongeveer in het centrum van den kop bevindt, en sterk gechitiniseerd is. Het gevolg der ventrale flexie is, dat de vrije achterrand (c o 1 1 a r e) van de pars anterior zich van de pars posterior verwijdert (zie de figuur), en dat de pars dorsale van de fovea antennae zich verwijdt, terwijl juist de pars ventrale van die fovea zich vernauwt. In het teo-eiiovero-estelde geval ligt de collare precies op de pars posterior (normaal bij in spiritus gedoode exemplaren !), en vernauwt zich de pars dorsale van de fovea antennae, terwijl juist de pars ventrale van deze fovea iets wijder wordt. Zulk een kop noem ik een caput fractum. De pars anterior van zulk een caput fractum heeft, evenals de pars posterior, de thoraxafdeeliugen en de tergieten, een breedeu, platten achterrand of kraag (collar e), die over de pars posterior ligt, terwijl deze laatste, evenals alle achter haar volgende thoraxafdeelingen en tergieten, vóóraan een stootkussen (nodulus) bezit, dat in een pan (fossa noduli) van de pars anterior past ! De pars anterior g e 1 ij k t nu op een echten kop, de pars posterior »zum verwechseln ähnlich" op een p r o n o t u m ! Wat nog zondelinger is : aan de pars anterior bevinden zich de rudimentaire oogen {Xi/ck'r/dopsi/lla) en de mond- deelen, terwijl aan de pars posterior de antennae bevestigd zijn ! Zou men niet geneigd zijn, deze vloosoorten geheel van alle andere Insekten te scheiden V Wat kun de aanleiding geweest zijn, dat de kop gebroken, geleed werd ? Zou de levenswijs ons niet een verklaring kunnen geven ? De IschnopsyUidae bewonen Cltiroptera, en verlaten deze vermoedelijk slechts om eieren te leggen in de nesten der gustheeren (holle boomen, etc.). De haren deî A. e. OTTÜKMANS, AAXTKKKF.NTXfîKV OVKlt StTTORtA. TX. Ol Chiroptera zijn zeer fijn en zeer dicht u]) (-Ikunder staïinde ; bovendien haken zij aan elkander. De parasieten moeten dus zoo slank en zoo bewegelijk mogelijk zijn, om door dit bijna ondoordringbaar kreupelbosch van haren te kunnen doordrin- gen ; de lange kop moest in tweeën gebroken worden, om even bewegelijk te zijn als de i;horaxafdeelingen en de abdominaal-segmenten ! Hoe is die verdeeling tot stand gekomen ? Wel, ik denk als volgt : de vlookoppen zijn reeds verbazend ingesnoerd door de twee foveae antennarum, die bovendien bij vele soorten, vooral bij d" d", zeer ver naar boven reiken, zoodat de afstand tusschen de beide foveae al zeer o-erino- is. Daar de Isclmo- psi^llidae langgerekte vormen zijn (wat m. i. opeen primitieven toestand wijst), bezitten zij ook lange koppen, die echter voor het leven tusschen vleermuisharen te lang waren. Het zich wringen tusschen de opeengepakte haren deed allengs de boven- beschreven geleeding tot stand komen. Bezien wij een Isc/mo- psyllus-koip van ter zijde, dan krijgen wij den indruk, alsof de de foveae antennarum in elkander overloopen. Deze indruk verschaft mij nu ook den volgenden gedachtegang : de kop was het buigzaamst op de hoogte der foveae antennarum ; de loveae verlengden zich allengs rugwaarts ; de buigzaamheid der koj)pen vermeerderde daardoor ; zoo pasten zich die vlooien (toenmaals nog geen IschnopsylUJae te noemen) steeds beter aan de levensomstandigheden aan, kwamen de levenseischen steeds meer te gemoet. Eindelijk bereikten de foveae elkander mediaan ; de kop was daardoor reeds in tweeën verdeeld, doch moest nu nog, evenals alle achter hem liggende segmenten, van een condylus, een nodulus en een fossa noduli voorzien worden, om volmaakt aan de levensvoorwaarden te beant- woorden. 92 A. e. OUDEMANS, AANTKF,KENINGtóN OVER SUCTORtA. IX. Nieuwe Indeeling der Suctoria. Het komt mij voor, dat er voldoende gronden bestaan, om (Ie Orde der Suctoria te verdeelen in twee Subordines, te meer, daar de Isc/uiopsyllulae zich nog op andere wijzen van alle overige Sneto7'ia onderscheiden ; nl. 1. de maxillae zijn min of meer knotsvormig, distaal stomp, bijna vierkant ; 2. het reeep- taculum serainis is zijdelings aan den ductus spermaticus verbonden. Ik stel daarom voor de Suctoria te verdeelen in 2 Subordines, te weten : 1. Heelkoppigen : Integricipita. 2. Gebrokenkoppigen : Fracticipita. Mij dunkt, de eersten zijn de meer primitieve, de laafsten de meer gedifferentieerde vormen. Bizonderheden aan een caput integrum. Wat nu de koppen der Integricipita betreft, ook deze ver- toonen verschillende bizonderheden. Fig. 2. Ideaal caput integrum bij Suctoria. lïij alle Suctoria tietfeii we dien centralen, sterk gechitiniseer den kuüljliel (tuber centrale) min of meer ontwikkeld A. C. OUDEMAXS, AANTEKKKMNfi?^,\ OVER Sl'CTOlUA. IX. 93 aaii, Avaarvan boven sprake was, en waarvan mi] de beteekenis bij capita integra duister is. (Fig. 2, a). Hii alle Sudoria bevinden zich achter de nionddeeh'n twee hing- werpige chitiniseeringen (t u b e r a j) o s t o r a 1 i a (fig. 2, b), welke dienen tot aanhechting der spieren, die het hibiuiu achterwaarts bewegen, of als katrol, waarover de tendines schuiven der spieren, die de raandibula, de raaxillae en het labium naar voren bewegen. Een kop, die geen andere in- of uitwendige chitineknobbels vertoont, dan de hierboven beschrevene, wil ik caput si m- p 1 e X noemen. Hij komt o. a. voor bij het 5 van Cerato pliiiUn.s sa«ror?<»i (Schrank) en bij het -^ van rt?"./rtòt7a/.«.s(Boscu' Antic). Ik geloof, dat deze een zeer oorspronkelijke type van kop is. Bij andere vlooien bevindt zich ook vóór de monddeelen eene min of meer gebogene, peervormige chitineknobbel (t über ]) r a e o r a 1 e) (fig. 2, c). Soms is deze, zooals in de figuur is aangegeven, vrij van den voorhoofdw^and (e. g. Ctenocephalus i-anis (Ci'RTis), Cten. felis (Bouciip:)), soms min of meer met dezen vergroeid {SpllopsijllKs erinacei (Botjchk)) ; soms ver van den voorhoofdwand verwijderd, omdat ook de monddeelen ver naar achteren verschoven zijn {Iscliiiopi^ijllidat). Indien deze knobbel met den voorhoofdwand vergroeid is, dan schijnt het, bij scherpe instelling- van den mikroskoop, alsof het voorhoofd van voren een ondiep kuiltje bezit, dat in den kop van de peer dringt. In alle geval schijnt deze knobbel met de mond- deelen in verband te staan ; want hij rukt met de monddeelen mede naar achteren. Behalve bij de IsvhnopsiHUdae, die buiten beschouwing blijven, omdat zij een caput fractum hebben, vond ik dezen knobbel bij Pule.v, Ctenoceplialus, Chaetopsylla en Ec/ti(/nophaga, doch niet bij Cerato phylliix. Bij andere vlooien bevindt zich tusschen de Ie en 2e oog- vormige organen (fig. 2, 1 en 2) een inwendige voorhoofd- knobbel, tuber frontal e (fig. 2 , e), waarin duidelijk van bui- ten nanr binnen een ondiep kuiltje dringt, waarvan de randen 94 A. e. OUDEMANS, A AXTEEKENTNGEX OVER SÜCTOllIA. IX. zelfs een weinig te voorschijn springen. Deze tu be r fron tale komt voor bij Pulex globiceps Taschenberg, type van het genus Oncopsylla Wahlgren (1903, Juli) ( = Ckaetopsyüa Kohaut, 1903, Mei). Bi] vele vlooien valt nog een andere inwendige chitiniseering waar te nemen. Hier bevindt zich in de kopholte tegen het kopdak aan, tusschen de oogvormige organen 3 en 4, een dwarsloopende, sikkelvormige chitineband ; deze chitinesikkel (falx) verbindt de beide achterzijden der foveae antennarum onderling, is dus bij de foveae zeer dun en aan den kop- kruin (vertex) zeer dik, bijna rolrond (fig. 2, g). Waartoe deze falx dient, is mij niet duidelijk; zeker niet tot aan- hechting der musculi retractores labri et mandibularum ; want die zijn aan het kopdak zelf, zoowel vóór als achter de falx, bevestigd. Deze kopsoort noem ik caput f alci ge ru ui. Zij komt voor bij de genera Pulex, Ctenocephalus, Echidnophaga wellicht ook bij vele andere genera, ook bij de cT (ƒ van Cerato phjjllas sciarorum (Schrank), is dus in geen geval een absoluut generiek kenmerk. Buiten den kop treflen we ook vreemde organen aan. Een m u c r o vindt men bij de fsc/mopsyllidae. Hij is niet altijd aanwezig, zelfs niet bij twee individuen van dezelfde soort, die op dezelfde vleermuis gevangen zijn. Hij is bevestigd aan het voorhoofd, maar zoo laag mogelijk, vóór het 1*-' oogvor- mige orgaan (fig. 2, d). Hij komt vermoedelijk ook wel bij capita simplicia voor. De afbeeldingen, die dit vermoeden bij mij opwekken, zijn zeer oppervlakkig. Wanneer deze mucro afgevallen is, is in de meeste gevallen de plaats, waar hij bevestigd was, nog zichtbaar; want daar bevindt zich dan eene zeer oppervlakkige indeuking, of een rech t gedeelte in de voor- hoofdkroraming, of een klein wolkje van gecoaguleerd eiwit of lijmstof is daar zichtbaar. Evenwel vond ik sommige exem- plaren van Ischnopsyllus, waarbij absoluut geen enkele aandui- ding van een mucro overgebleven was. A. C. OUDEMAXS, A ANTIOEKKNTNOKX OVER STTTORIA. IX. 95 Kan de niui-ro Ijebchouwd worden als een instrumenl um de cocon open te snijden, het luifeltje (pro tec turn, Hg. 2, f), zoo als ik het tweede, buiten den kop gelegen orgaan noemen wil, is mi] een raadsel. Het komt, voor zoover ik weet, alleen voor bij het genus Ceratophyllus Curtjs, en z.ni in dat geval een zeer goed generiek kenmerk zijn. Ik stel mij voor deze kopstudiën voort te zetten, telkens als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt. De zoogenaamde pleuraalschub. In het Tijdschrift voor Entomologie, deel Ü», p. LIV — LVl,brak ik een lans voor de theorie, als zou de zooo-enaamde metapleuraalschub niet anders zijn dan het 1^' sterniet (Laxdois). Thans ben ik, na zorgvuldige anatomie der verschillende lichaamsdeelen ervan overtuigd, dat Laxdois, en dus ook ik, gedwaald hebben. Ik ben er nu vast van overtuigd, dat de zoogenaamde pleuraalschub niet anders is dan de achterste lielf't der metapleura, door omstandigheden vergroot en ver- vormd. Een »schub" is dit gedeelte beslist niet. Wèl heeft dit gedeelte een smallen, vrijen achterrand, evenals alle ster- nieten en tergieten. En in dien vrijen achterrand bevindt zich het stigma. Waarom bevindt zich dit stigma niet, evenals bij de tergieten, midden in de »schub"? M. i. omdat aan de o-e- lieele »schub" de springspieren aangehecht zijn. Hoe grooter de »schub", des te meer verplaatst zich het stigma naar de rugzijde, des te meer wordt ook het eerste tergiet kleiner. Dit tergiet is zelfs bij Ischnopsj/Uus aegyptlm Rothschild (E n t. M o. Mag. (2), V. 14, p. 83) tot een minimum gereduceerd, zoodat het slechts een smal rugplaatje geworden is, met één tandje. Indien er een vloo gevonden werd zonder eerste tergiet, zou mij dit niet verwonderen. Op de/elfde wijze kunnen wij ons voorstellen, hoe ook het eerste sterniet door de ontwikkelintr der pleuraaUschub" verdrongen werd, en dat wel zeer vroeg. 96 A. e. OUDEMANS, AANTEKKEMNGEN 0\ER SÜCTOBIA. IX. daar alle Suctoria dat sterniet missen. (Ook bij Coleoptera en Hyriie/i optera kan het 1*^ sterniet ontbreken). Over de benamingen der thoraxdeelen. Met Rothschild's voorstel (Novitates Z oologi cae, vol. V, 1898, p. 534) kan ik niet instemmen. Daar de pleura met de sterna verj^roeid zijn, is het moeilijk, om met zekerheid vast te stellen, waar hunne grenzen zijn, en kunnen dus daarover verschillende schryvers een andere meeniug toegedaaii zijn. Maar in alle geval is hetgeen Rothschild aanziet voor het episternum van den metathorax niet anders dan een sehub- vormig aanhangsel van het metanotum, en dus eerder een met het aietanotum vergroeid par api eu rum, of een vleugelrudiraent. Hoewel de grenzen tusschen sterna, epistema en epiraera verdwenen zijn, is eene aanwijzing daarvan m. i. nog te vinden in de plotseling veranderde richting der golf- lijiitjes, die de chitinebekleeding vertoont. De propleura zijn naar voren gericht, derhalve zijn nu de p r o e p i s t e r n a boven, de p r o e p i m e r a onder de donkere lijn gelegen, die over de lichaamsafdeeling loopt, waaraan de p r o c o x a e bevestigd zijn. Over het p r o e ]) i- sternum loopen de golflijntjes in een weinig schuine richting van achteren naar voren; over het proepimerum zeer schuin, bijna horizontaal van voren naar achteren, en over het p r o s t e r n u m bijna loodrecht van boven naar beneden. De mesopleura en metapleura hebben hunne oor- spronkelijke ligging behouden. Over het mesepimerum, dat van borstels voorzien is, loopen de golflijntjes bijna loodrecht van boven naar beneden ; over het mesepisterum, dat naakt is, schuin van voren naar achteren, en over het m e s o s t e r n u m bijna loodrecht van boven naar beneden. Over het metepimerura (de zoogenaamde metapleuraal- schub !), dat van 'crstels voorzien is, loopen de lijntjes nage- A. c. 0UDK^r.^\s. ^ wtrkkkntxokx ovkk stctoria. ix. 97 uopfT loodrecht ; v/i] golven echter sterk l)ij de donkere stiepji, die het nietepimerum van het metepisternum scheidt, en buigen daarheen, alsof die streep eene verdieping, eene groeve is. Over het m e t e p i s t e r n u m, dat één groote borstel draagt, gedragen de Ijintjes zich oj) dezelfde wijze ; over het m e t a- sternum /.ijn ze echter bijna horizontaal verloopend. Bij deze beschrijving heb ik met opzet hetzelfde object gebruikt als Rothschild, ni. hchnopsi^Kus eloìKjatnm (Curtis). Over de elf-ledigheid der antennae. Fig. 3. Linker antenne van het d" van Ceratophyllus sciurorian . Voor zoover ik weet, zijn de Suctòriologen nog niet bekeerd van het vaste (geloof, dat de antennen der Snctoria uit slechts drie leden bestaan. Herhaaldelijk treft men afbeeldingen aan, waarbij men wel twijfelen moet aan die vooronderstelling. Ikzelf kon maar nooit met zekerheid waarnemen, dat de antennen werkelijk uit e l f leden bestaan, hoewel ik ervan overtuigd was ! Eindelijk is mij dat gelukt, en ik twijfel er niet aan, of mijne beschrijving en afbeelding zullen Suctorio- Tydschr. v. Entom. LI. 7 98 A. e. OTTDEMANS, AANTKEKKNTNGKN OVER SUCTOEIA, IX. logen van het I'eit overtuigen, en aanmoedigen, zelf de waar- nemincr te herhalen. Het toeval wilde, dat ik een door canada- balsem bizonder »opgehelderd« r^ van Ceratopliyllus .sduroruin (Schrank) met zeer sterke vergrooting onderzocht, en plotseling zeer duidelijk al de »steeltjes« zag (in de figuur zwart aange- geven, hoewel ze niet zwart zijn), waarmede elk sprietlid aan zijn voorganger verbonden is ! Zooals men ziet, zijn deze spriet-lid-steeltjes volstrekt niet in het centrum der min of meer plat-schotelvormige leden geplaatst, maar duidelijk excen- trisch. Nu worden tevens de vreemde ovale figuurtjes verklaard, waarmede de sprietleden geteekend zijn. De ovale figuurtjes bevinden zich aan het distale einde (indien men dit deel »einde" belieft te noemen), de ronde aan het proximale einde van elk sprietlid; zij zijn omgeven door een zeer dun chi tineringetje, terwijl tusschen het ovale distale einde van het eene sprietlid en het ronde proximale van het volgende lid zich het »steeltje« bevindt. Wanneer men de figuur beziet, meent men, dat het eerste en het tweede lid ongeveer in hun midden aan elkaar bevestigd zijn. Niets is minder dan \vaar ; indien de spriet naar boven omgeslagen is (wat bij ^ veelal geschiedt), neemt men duide- lijk waar, dat de bevestiging aan den binnenrand der spriet- leden plaats heeft. Zintuigen. Aan den kop vind ik bij alle Suctan'a kleine stipjes. Met immersie-systeem ontwaart men, dat op al deze stipjes kristal- Fig. 4. verschillende zintuigen. heldere haartjes staan (fig. 4, d.). Deze zijn soms ook met A. C, OIIDEMANS, AANTKKKRN INGEN OVER SUCTORlA. IX. 99 sterke droge systemen waar te nemen. En bij Echirlnophaqa zijn ze zelfs met zwakke systemen zichtbaar. Aan den kop treft men bij alle Sucforia ook oogvormicre organen aan (Hg 4, v); de lens puilt duidelijk nit, doch pigment ontbreekt. Waartoe zij dienen, /.al vermoedelijk wel altijd onbekend blijven ; maar in alle geval zijn het stralen- percipieerende organen. Men vindt er steeds (> ; de plaatsing is veelal dezelfde (fig. 2 en 8). Midden op de pi'ocoxae, dicht bij de abdominaalstigmata, en soms ook vlak bij de supra-anaalborstel. treft men respec- tievelijk één eveneens oogvorniig orgaantje aan tig. 4, e). Bij schuine instelling blijkt, dat zij geen uitspuilende lenzen be- zitten, maar volkomen vlak zijn. Alleen dringt van binnen een kuiltje in de dikke chitinelaag naar buiten. Pigment ont- breekt. Hoewel deze orgaantjes oogvormig zijn, is hun stralen- percipieerend vermogen een weinig problematisch. Evenwel de lichtorganen van vele visschen zijn eveneens bekervormig of, wil men liever, parabolisch, hoewel de opening der para- bolische spiegels naar buiten, niet naai binnen gericht is. Zou, zoo vraag ik mij af, deze naar binnen gerichte parabolische spiegel niet in staat zijn van buiten aankomende stralen naar binnen te con- of te diverweren V Bij alle Sïictona zijn in de buurt der anaalopening eenige min of meer kort-staafvormige en distaal afgeronde papillen aanwezig (fig. 4, f). Hun functie is zeer waarschijnlijk wel niet anders dan tactiel. Bij alle Suctoria is het 6'', 7^', 8*^ sprietlid voorzien van eene dwarse ondiepe groeve, waarin zich een eigenaardig gevormd haartje bevindt (fig. 3). Dit haartje is soms min of meer aanbeeldvormig, soms duimvormig (fig. 4 g); men vindt ook overganffsvormen tusschen deze twee uitersten. Bij alle Suctoria is de supra-anaal plaat welbekend. Zij is donker getint, soms geheel zwart gekleurd, vertoont een aantal, vrij regelmatig geplaatste kringetjes, uit welker middelpunten lUO A. e. OüDEilANS, AANTEKKENINGEX OVER SüCTOKIA. IX. een lang fijn haar oprijst, terwijl tusschen de kringetjes de ruimte opgevuld is met uiterst kleine haartjes, zoodat de geheele plaat op fluweel gelijkt. Wagner is de eerste en eenige, die een vergroote afbeelding geelt van een dezer kringetjes. Bij eenigszins sterke vergrooting meent men een kamrad te zien, waarvan de tandjes naar binnen, niet naar buiten gericht zijn (Wagner). Behandelt men de vloo echter met een »ophelderend" middel, en stelt men den mikroskoop op den rand der plaat in, dan blijkt het, dat aan de kleine haartjes (fig. 4, b) beslist een tactiele of' een olfactorische functie toegeschreven moet worden, terwijl de lange, fijne haartjes en de kamradertjes, zich als champagnekurkvormige organen ontpoppen (fig. 4, a). Onderscheid tusschen naverwante soorten. De c/cT van naverwante soorten verschillen voornamelijk in hun fixaalapparaat. Meestal wordt dan ook alleen dat apparaat beschreven en afgebeeld. Maar het geheele abdomeneinde is karakteristiek voor de soort ! De omtrek der laatste tergieten en sternieten is bij iedere soort anders ! En de n c^ 'P Meestal maken de schrijvers zich van de moeilijkheid van het her- kennen der 5 2 af, door slechts het aantal tanden der ctenidia aan te geven. Maar de o o verschillen eveneens, zoowel inden omtrek der laatste tergieten en sternieten, als in hun ductus spermaticus ! — Welke ^ n en cTcf behooren nu bij elkaar ? Ook dit is een lastige kwestie. De soorten verschillen zeer weinig, en men is licht geneigd een cT en een o, die op denzelfden gastheer gevonden worden, voor geslachten derzelfde soort aan te zien. Dit is zeer gevaarlijk, daar op een gastheer verschillende soorten kunnen voorkomen. Bij de zoo moeilijk uit elkaar te houden Ischiiopsyllus-soorten moet men op allerlei bizonderheden acht slaan : de lengte, de kleur, den algemeenen habitu-', de configuratie en andere bizunderheden van mesono- A. C. OÜDEMANS, AA.NTEEKENINGliN OVKR SUCTOKIA. IX. K»! tum im omringende lichaamsdeelen. De achterrand van het mesonotiim kan ni. tandjes vertoonen, die voor soorten tamelijk karakteristiek zijn. Men moet echter zeer voorzichtig zijn in de beoordeeling daarvan, want c^cT en çç van dezelfde soort vertoonen een aantal sexueele verschillen, waarioei' men reke- ning moet houden. Onderscheid tusschen ^ en 9. In het T ij d s e h r i f t voor Entomologie, vol. 49, p. LIV, wees ik er reeds op, dat de cTd" van de 99 verschillen in het "^ abdominaal segment. Bij de 5 ^ ^^o^ "1- ^^^^ "^"^ ster- niet over het gelijknamige tergiet, wat bij de cTd" niet het ffeval is. Ziehier uoo- eenige andere verschillen. Bij de cTcT zijn de achterhelft van den kop en de drie thorax- afdeelingeu aan de rugzijde van eene overlangsche groeve roor- zipn, terwijl deze deelen bij de ;^ 9 afgerond zijn. In deze groeven komen bij de paring de scherpgerande buikgedeelten van het wijtje te liggen, niesosternum, metasternumen 2*-' sterniet. Bij de c^'cT zijn de antennae langer dan bij de '21- ^\Ì de cTd" zijn de antennae hooger ingeplant dan bij de ^^, zoo- dat de afstand tusschen de beide inplantiugsplaatsen der anten- nae bij de cfJ' korter is, dan bij de f^;^. Bij de cTc?' zijn^de 3^' tot 11'" antennae-leden veel duidelijker van elkander te onderscheiden dan bij de Çv^, en van veel meer reukhaartjes voorzien (ruiger) dan bij de ^t^'. Bij de cfo der Fracticipita {Iscitnopsyllidae) is de voorzijde van de pars posterior anders gevormd, dan bij de ^7^ vertoont bij 76<-/ò'j///?<ò! 2 naar voren gerichte knobbels, bij dr 99 slechts l. De voorzijde van den kop is bij c/d" ronder, dus stomper, dan bij de 99. Bij d"d' is de voelergroeve aan de basis niet of slechts zeer weinig over- dekt door eene chii tineplaat, zoodat de voelers vry naar buiten en naar boven kunnen omslaan, opgezet kunnen worden. Bij 9 2 is de voelergroeve aan de basis bedekt door een chitine- 102 A. e. OüÜKMANS, AANTEKKEMNHKN OVER SUCTORIA. IX. lamel, zoodat /A] alleen de voelerknots (lid 3 — 11) kunnen oplichten. Onderscheid tusschen Ischnopsyllus en Nycteridopsylla. In het T ij d s c h r i f t voor Entomologie, v. 49, p. LVIII gaf ik een lijstje van verschillen tusschen deze twee genera. Gp.deeltelijk dat lijstje verbeterend, voeg ik er nog de volgende verschillen aan toe : /!araat. Het n heeft een bruine supra-rinale ziiituigjdaat en aan liet 7 ' sterniet niets bizonders. NycteridopsijUa . Aldaar een rij van platte en puntige borstels, een c t e n i d i u m simulée- r e n d. De pars posterior van het caput fractum is vooraan wigvormig, eu dringt ver voorbij de antenna naar voren. Het d" heeft een dig'itus fixus aan zijn fixaalapparaat. Het Ç heeft een zwarte supra-anale zintuigplaat en aan het 7'' sterniet een don- ker omrande inkeeping. Chiropteropsylla nov. gen. Het komt niy voor, dat ('eratophyllus aegyptius Rotschild (E n t. M o. M a g. ser. 2. vol. 14. p. 83) niet in de genera IscJtiioj'syÜNs en ^ycti^rù/opsylLi ondergebracht kan worden, wèl het naast daaraan verwant is. Ik stel voor, voor die soort een nieuw genus aan te nemen, en dat te noemen Chiropteropsylla. Het onderscheidt zich van de beide genoemde genera door het A. C. OUDKMANS, AANTKKKKXl NGIvN OVKU STC'TOHTA. IX. 108 raetepimerura, dat niet alleen enorm ontwikkeld is, maar bovendien een ctenidiura-simuleerende rij van platte, puntio-e, zwarte borstels draagt; alsmede door het 1'' tergiet, dat, door de enorme ontwikkeling van het metepimerum, zeer smal is, en slechts 1 tandje (aan elke zijde) draagt. Over de soortnaam monoctenus. In »Die Parasiten der C h i r o p t e rn (Brünn, 1851')) beschrijft Kolenati, p. 31 en 32, de hem bekende vleermuis- vlooien Off arten ns, li(\i'actcniis, pentactenKx, tt'fi'actciius en dicte- iius. Daarna volgt de volgende »Anmerkung": »Der E i c h- h ö r n c h e n f 1 o h (,'' e r a t o p s y 1 1 u s s c i u r i ist mo- noctenus und hat an den Fühlern nur pine Borste". Uit deze woorden blijkt, dat Kolknati op Sciitrus vKÌrKirls vlooien gevonden heeft met 1 kam. Deze moeten Avel de op eekhoorntjes zoo menigvuldig voorkomende CerataphyUus sciuro- riim (Schrank) geweest zijn. Ook blijkt er uit, dat hij geneigd zou zijn, de soort ìnonortcìiux te noemen ; m. a. w. (\>nifo- psj/Uiis mo)wcte7i>(>; Kolknati 1856 is synonym aan Ceratopiiqllus sciurorii m (Sen h a xk ) . Hetzelfde werkje verscheen ook begin 1857 te Dresden. Derhalve: Cerato p>io- cfpitns Kol., 1857, Wien. Ent. Mon., gepreoccupeerd is. Arnhem, 1 Maart 1908.