AANTEEKENINGEN OVER NEDERLANDSCHE LEPIDOPTEßA, DOOR P. C. T. SNELLEN. Hoewel sedert het verschijnen van het tweede gedeelte mijner Vlinders van Nederland (Leiden, E. J. Brill, 1882), slechts ruim vier jaren verloopen zijn , heb ik toch reeds rijkelijk stof ver-gaard tot bijvoegselen en aanvullingen. Niet alleen betreft dit de Microlepidoptera , maar ook de Macrolepidoptera , niettegenstaande deze vooral zich sedert het verschijnen van de lijst onzer inland-sche Lepidoptera, door Mr, H. W. de Graaf, in het eerste deel van de Bouwstoffen voor eene Fauna van Nederland (Leiden, E. J. Brill, 1853), in de voortdurende belangstelling onzer Lepido-pterologen mochten verheugen. Eigene voortgezette waarnemingen, meer nog de welwillende en hoog gewaardeerde medewerking van andere Nederlandsche Entomologen stelden mij in staat tot het verzamelen van die stof tot bijvoegselen. Terwijl ik hier gaarne aan den meermalen door hen uitgedrukten wensch tot bekend-making van het opgegaarde voldoe, blijf ik mij ook verder voor nadere mededeelingen aanbevelen. Er valt zeker nog veel waar te nemen , al ligt het niet meer zoo voor de hand als een groote dertig jaren geleden. Wat mijne bijvoegselen en aanvullingen betreft, zoo gelden die eerstens voor de Nederlandsche Fauna nieuwe soorten. Ook daaraan ontbreekt het niet. Op heden ziijn mij reeds niet minder dan 5 nieuwe soorten van Macrolepidoptera en 10 van Microlepidoptera bekend geworden, te weten: