AMERIKAANSCHE DIPTERA DOOR P. M. VAN DER WULP. Vervolg vaia deel XXV, biz. 77. (Hierbij Plaat 1 mi 2)^ SYRPHIDAE {Veivolg). 33. A 1 1 o g r a p t a obliqua Say. Scaeva obliqua, Say, Journ. ac. Phil. III. 91. 5; — Sijrplnis obliquus, Wied. j4 «ss. Zwcijl. II. 138.39; — Syrplins secnriferus, Macq. Dipt. ex. II. 2. 100. 22; id. supp. 1. 139; — Syrphus signatiis, v. d. Wulp, Tìjiìschr. V. Eni. X. 144. 16. pi. 4. f. 12; — Sphaerojàoria Bacchiiìcs, Walk. Lisi, III. 594; — Syrphus dimensus. Walk. Dipl. Sauna. 235. Van deze soort, vroeger door mij als Syrphus siguatus beschreven, ontving ik een $ uit Argentina van Prof. Weyenbergh. Zij vormt den type van het geslacht Allograpla O. Sack. {Bull. Buff. soc. nal. hist. III. 49), dat in naauwe verwantschap staat tot die soorten van het genus Syrphus, welke een lang en smal achterlijf hebben , alsmede tot de geslachten Melithrcplus en Mcsograpla. Van Syrphus is het onderscheiden door de eigendommelijke teekening van het achterlijf (zie PI. 1 fig. 1) en door het zeer gewelfde en zelfs vooruitstekende gezigt; van Melithreplns , waarmede het in het laatstgenoemd kenmerk overeenkomt, verschilt het geslacht AUoyrapla door de niet zoo sterk ontwikkelde mannelijke genitaliën , van Mrsograpla door het gemis der lichte langsstrepen pp den thorax. Alloyrapla is bovendien duidelijk 1 2 AMEEIKAANSCHE DIPTERA. gekenmerkt door de oogen in . Schildje zwart, meestal echter met gelen achterrand c. h. Derde en volgende ringen des achterlij fs met hoogstens twee zwarte stippen ditjilicala Wied. Derde en volgende ringen met vier langwerpige vlekjes, waarvan de middenste gestaart zijn. pidchella Macq. Derde en volgende ringen met eene fijne, in 't midden even afgebroken dwarslijn. . . linmris n. sp. i\ Schildje zwart , met breeden gelen achterrand ; ligchaam weinig glanzig . (/• 4 AMEEIKAANSCHE DIPTERA. Schildje met smallen gelen achterrand, soms bijna geheel zwart; Ugchaam zeer glanzig, als verlakt ^• (/. Tweede achterlijfsring zwart met twee tot elkander neigende , maanvormige, gele vlek- ken; de beide volgende ringen geel met zwarte zijvlekken en in 't midden een paar fijne langslijnen. arcifera Löw. Tweede achterlijfsring zwart, met een onaf- gebroken gelen dwarsband; de beide vol- gende ringen geel, elk, behalve de zwarte zijvlekken, in 't midden met vier zwarte stippen. miiUipunctal a n.sp. r. Derde en volgende lijfsringen nagenoeg een- kleurig roodgeel basilaris Wied. Derde en volgende lijfsringen glanzig zwart, met roodgele zijvlekken van meer of minder uitgebreidheid . variabilis n. sp. 35. M (! s o g r a p t a duplicata Wied* Syrpliìis ilìipliralvSj'Wieà. Avss. Zweiß. II. 142. 16; — Mesogramma iliiplicata, Schiner, Dipl. Nov. Reise, 350. 30; — Syrphus oclirogastei-f Thoms. Dipl. Eugen. Resa, 494. 82. Een (? uit Argentina (Weyenbergh). Het behoort tot de variëteit ß^ door Schinev vermeld, bij welke de bruine ring aan de achterdijen ontbreekt. De derde en vierde lijfsringen hebben ieder twee stippen naast elkander, de vijfde eene grootere stip in 't midden, even als door Schiner wordt aangegeven (zie mijne afbeelding PI. 1 fig. 3). Thomson's uitvoerige beschrijving van S. ochrogaster laat geen twijfel, dat hij dezelfde soort voor oogen had. 36. M e s o g r a p t a p u 1 c li e 11 a Macq. Syrpfnis pulrhelhis, Macq. Dipl. ex. supp. 1. 138. 36. pi. 11 f. 12. Twee wijfjes van (luadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel. Macquart beschrijft alleen het $; het c? is dus nog onbekend. Hij noemt het achterlijf „ assez étroit " : dit moge waar zijn bij verge- amruikaansche diptera. ö lijking met de meeste Sijrplius-soorten, maar voor eene iVwo;/r«y>/« is het eer vrij breed te noemen; in zijne afbeelding is aan het zwart teveel uitbreiding gegeven (zie mijne teekening van het achterlijf PI. 1 fig. 4.) 37. M e so gr apt a linearis n. sp. Flava ; vertice , thoracis dorso , pleuris in parte posteriori , abdomi- nisque segmento secundo limbo antico et postico nigris, segmentis sequentibus tribus linea transversa in medio interrupta. — /. Scnnd. 11. 881. l ; Schin. Faiui.amlr. 1. 358; — Xylota proxima, Say, /Ime/-, entoin. 1. pi. vin; Wied. JjfiS. Zweifl. II. 102. 9. Exemplaren van beide sexen uit de omstreken van Quebec (Pro- vancber) in bet museum te Brussel. 47. Rh i ligi a nasica Say. Say, Jouriì. ac. Pìiil. III. 94; Wied. Aiiss. Zweiß. II. 115. 1. Drie wijfjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in bet museum te Brussel. Bij een der exemplaren vind ik eene merkelijke afwijking in de teekening des achterlijfs; is dit eene andere soort of slecbts eene variëteit ? Rfi. nasica is de eenig bekende soort uit Noord-Amerika. 48. S ph e gin a ru fi ven tris Low. Low, Dipt. Amer. Sept. Cent. III. 22. Drie mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in bet museum te Brussel. 49. O e y p t a m u s f a s c i p e n n i s Macq. Macq. Suit, a Bujf. I. 554. 2. pi. 12. f. 13. Drie wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in bet museum te Brussel. Zij beantwoorden gebeel aan de besebrij ving en afbeelding van Macquart. -Low {Diptern Süd-Afrika' s p. 293) en Osten Sacken (Calai, of the Dipt, of N. Amer. p. 127) houden deze soort voor dezelfde als Baelia fiiscipeiinis Say, hetgeen door Schiner {Dipt. j\ov. Reise, 346. 14) bepaald wordt tegengesproken na vergelijking van typische exem- plaren in Wiedemann's collectie. 50. O c y p t a nt us f u n e b r i s Macq. Macq. Snit. à Buff. 554. 1; id. Dipl. e.v. II. 2. 105. 1 pi. 19 f. 2; Bigot in R. de la Sagra, Hist, pitijs. pol. el nal. de Cuba, p. 807. Een 5 van Bahia (de Lacerda) in het Brusselsche museum. De soort is iets grooter dan de vorige en onderscheidt zich bij den eersten 10 AMEBIKAANSCHE DIPTEKA. oogopslag door de gelijkmatig donkerbruine vleugels, die alleen aan de spits en in de kernen van sommige cellen lichter zijn. 51. O typ ta mus diniidiatus Fabr. Sijrpfiiis (Hmidiatus , Fabr. Spec. ins. II. 434. 64; id. Eut. Sijsl. IV. 310. 118; Wied. Aim. Zuri/I. II. 140. 42; — Scaeva dimidiala, Fabr. Syst. Aiitl. 254. 25. Een aantal exemplaren van Guadeloupe (Delaunay) in het Brus- selsche museum. Deze soort is kleiner dan de beide vorigen en het achterlijf naar evenredigheid korter, zoodat zij veel plomper gebouwd is; in habitus gelijkt zij op eene Pipiza ., terwijl de anderen meer het aanzien van de /?(fr//rt- soorten hebben. Het schildje neigt bij de meeste voorwerpen tot het roodbruine, wat ook eenigszins met het achterlijf het geval is. Bij het i is de spitshelft der vleugels een weinig verduisterd, zoodat de zwarte wortelhelft daar minder sterk uitkomt. Depekbruine pooten zijn niet altijd even donker, maar somtijds de voorste scheenen aan de basis en de tarsen geelachtig. 52. ß a c li il f a s e i p e n n i s Wied. Racha fascijmtma Wied. Aiiss. Zweifl. II. 96. 6; — B. aurinota, Walk. Lisi Dipt. Brit. mus. III. 548. Een />/. Seaml. III. 97G. 1; — 14 A^fERIKAA^'SCHE DIPTERA. (iaslropliilm Equi, Schin. Faioì. austr. I. 391; — Oestrus Bovis, Linn. Faun, sitec. 1730; — Ooslrm itiieslmahs , de Geer, Ins. VI. 291. 1. pl. 15. f. 16. Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in liet museum te Brussel; een wijfje van Arizona (Neumögen) in dat te Leiden. MUSCIDAE. PHASINAE. 1. A 1 1 p h r a ra i e a n s n. sp. NigTa, griseo-micans ; abdomine fascia media subrufescente; epis- tomate pallide rufo sericeo; alis dilute brunnescentibus , nervi discoi- dalis curvatura subrotundata ; nervo apicali obliquo. — e? long. 9 mm. Zwart; de kop groot en breed; het aangezigt zijdeachtig licht roodgeel, op de weinig verheven gezigtslijsten met korte borsteltjes: mondrand glanzig roestbruin; oogen van boven zamenstootend ; het driehoekige voorhoofd zwart, eenigszins fluweelig, aan de kanten zijdeachtig bleekgeel , in 't midden met fijne en digte zwarte beharing. Sprieten zwart , nog niet de helft van het aangezigt bereikende ; derde lid elliptisch ; sprietborstel regt , aan den wortel iets verdikt en lang- zamerhand tot de haarfijne spits verdund. Thorax vóór den dwarsnaad met witachtige bestuiving, welke drie langsstrepen vrijlaat; dergelijke bestuiving vormt een paar witte vlekjes vóór den vleugelwortel en bevindt zich ook aan de borstzijden, op het schildje en den achtermg; boven op den thorax en op het schildje is eene digte, korte, zwart- achtige beharing; voorts aan den achterrand van den thorax eenige borstels; vier vrij lange borstels aan dien van het schildje. Achterlijf plat, eirond, vijfringig, glanzig zwart, met een eigenaardigen blaauw- grijzen, iets metaalachtigen gloed en eene grootendeels lichtgrijze bestuiving , die naarmate het licht valt , al of niet zigtbaar is ; op de voorste helft van den derden ring is deze bestuiving roestbruin , waar- door in sommige rigtingen een dwarsband van die kleur te voorschijn komt. Pooten zwart, met vrij digte beharing en enkele verspreide borstels aan de scheenen; voethaken en voetballen zeer lang, de laatsten bleekgeel en van lange fijne borstelharen omgeven. Vleugel- schubben en vleugels lichtbruin; aan de schouder-dwarsader eene âMerikaanschr diptera. 15 donkere schaduw; aderbeloop ongeveer gelijk aan dat der Europesche .1. suhcoleoptrala ; aan het allereerste begin van den voorrand cene kam van stevige zwarte borstels ; ter plaatse waar de cubitaal-ader uit de radiaal-ader ontspruit, een eeltachtig knobbeltje. Zie eene afbeelding van den vleugel op PI. 1 fig. 12 (de buiging der discoidaal- ader is daar echter te rond en de spitsdwarsader niet schuin genoeg voorgesteld). Een (? uit Argentina (Weyenbergh). 2. T r i c II O p o (1 a p e n ii i p e s Fabr. Musea pcìinipes, Fabr. Eut. Syst. IV. 348. 149; — Diclya peunipes, Fabr. Sijst. Anti. 327. 5; — Trichnpoila p en nipes, Wied. Anss. Zweifl. II. 274. 9; Rob. D. Myod. 288. 1; — P/tasia jngatona, Say, .Journ. ne. Phil. VI. 172. 2 (sec. Ost. Sacken). Een 5 van Argentina (Weyenbergh). 3. T r i c li p (1 a p y r r h o g a s t e r Wied. Wied. Anss. Zwei/I. II. 272. 6. Eenige wijfjes van Guadeloupe (Delaunay) in het museum te Brussel» OCYPTERINAE. 1. O c y p t e r a D o s i a d e s Walk. Walk. List. Dipt. Brit. mus. IV. 695. Een 5 uit de omstreken van Quebec (Provancher) in het museum te Brussel. 2. O c y p t e r a n i g r i n a n. sp. Nigra, albo-micans; antennis rufescentibus ; alarum dimidio costali fusco; calyptris albis. — j long. 7,5 mm. Kop merkelijk breeder dan de thorax, zijdeachtig wit, aan de wangen met bruinen weerschijn; voorhoofd bijna de halve kopbreedte innemende, met breeden zwartbruinen middenband, aan de kanten met witten zoom; schedel glanzig. Sprieten donker roestkleurig ; het eerste lid kort ; het tweede ongeveer dubbel zoo lang ; het derde weder dubbel zoo lang als het tweede, naar het einde iets verbreed en af- gerond; sprietborstel zwart, aan de wortelhelft een weinig verdikt. IQ AMEEIKAANSCHE DIPTEEA. Thorax zwart, met eenige lichtgrijze bestuiving, die van boven on- duidelijke zwarte strepen vrijlaat; borstzijden met witte weerschijn- vlekken, die een paar banden boven de voorste heupen vormen; schildje glanzig zwart, plat, fijn bestippeld; op den thorax vrij stevige borstels, in vier langsrijen geplaatst; op het schildje verscheidene borstels , waarvan een paar aan den achterrand steviger dan de overige. Achterlijf glanzig zwart ; aan den voorrand van den derden en vier- den ring een witgrijze vlekkige weerschijn; aan het eind van den tweeden en derden ring van boven een paar macrocheten; voorts enkele in de zijden, alsmede verscheidene aan het eind van den vierden en op den eenigszins kolfachtig verdikten laatsten ring. Pooten zwart, vrij dik; op elk der heupen eene zilverachtig witte vlek; behalve de eindsporen, die aan al de scheenen voorhanden zijn, aan de achterste scheenen nog verspreide borstels. Vleugelschubben wit; de kleine kolfjes zwart. Vleugels grauwachtig; de voonandshelft don- kerbruin ; deze donkere kleur strekt zich uit tot aan de discoidaal- ader en de spitsd warsader, die zij als eene schaduw begeleidt; spits- dwarsader dubbel gebogen ; de steel der spitscel schuin naar boven gerigt ; schijfdwarsader bijna regt , op ten minste twee derden der spitscel ingewricht. Een 5 uit Argentina (Weyenbei-gh), TACHININAE. 1. Dejeaniii corpulenta Wied. Tac/iina rorpuienia , Wied. Auss. Zweifl. 11. 280. 1 ; — - Dpjeamd nifipalpis, Macq. Dipt. ex. II. 3. 35. 5. pi. 3 f. 1; — D. venatrix, O. Sack. West. Dipl. 348. Een c? van Bogota (van Lansberge) in het museum te Leiden. Op het gezag van Osten Sacken {Cal. Dipt. iV. Am. 147) citeer ik de bovengenoemde synoniemen en daarentegen niet D. corpulenta Macq. {Suit, à lìu/j: Dipt. IL 77. 22, Dipt. ex. II. 3. 35. 4 en supp. 1. 143). '^- Bejeania pallipes Macq. Macq. Dipt, c.r. II. 3. 34. 2. pi. 2 f. 9. Twee mannetjes van Bogota (van Lansberge) in het museum te Leiden. AMEKIKAANSCinï DTPTEKA. 17 3. D e j e a II i il a r m a t a Wied. Tachina armala, Wied. Anss. Zweijt. II. 287. 11; — Dcjcaina armata, Macq. Dijtt. ex. supp. 4. 168. Vier exemplaren van Montevideo in het museum te Leiden. 4. D e j c a II i a r ii t il i o i d c s Jaenn. Jaenn. Neue ex. Dipl. 137. Een ? van Arizona in het museum te Leiden. 5. Hystricia vivida Harr. Tachina vivida, Harr. ///,v. New Eitf/I. ed. III. G 12. pi. 8. f. 1 ; — Hyslricia leslaeea, Macq. Dipi. ex. II. 3. 44; — Taelnna finitima. Walk. List Dipi. Brit. mas. IV. 70. Twee mannetjes uit de omstreken van Quebec (Provancher) in bet museum te Brussel. De citatie uit Harris heb ik overgenomen uit den Catalogus der Noord-Amerikaansche Diptera van Osten-Sacken. Deze acht het waar- schijnlijk, dat Tachina ahrupta Wied. dezelfde soort is; is dit wer- kelijk zoOj dan zou laatstgemelde naam de prioriteit hebben. 6. J u r i II i a ni g r 1 v c ii t r i s v. d. Wulp. V. d. Wulp, Notes from the Leyd. mus. IV. 81. 13. Cinerea ; capite pallido ; antennis sordide rufis , articulo tertio nigri- cante; palpis rufis, in apice subdilatatis ; abdomine nigro nitido; pedibus nigris; calyptris alisque dilute brunneis. — 2 long. 13 mm. Aangezigt regtstandig, aan den mondrand sterk, bijna kegelvormig vooruitstekend, even als de wangen en kinbakken bleek grijsachtig geel met bruingrauwen weerschijn; een eind boven den mondrand ter wederzijde een groote en enkele kleinere borstels. Voorhoofd aschgrauw, met roestrooden, smallen, naar voren verbreeden langsband; voor- hoofdsborstels weinig talrijk maar stevig; achterhoofd met grove geel- achtige beharing en den gewonen krans van zwarte borstels. Sprieten vuil rocstkleurig ; het eivormige derde lid, althans van voren en aan de spits zwartachtig; sprietborstel zwart. Palpen roestkleurig , naar het einde een weinig verdikt. Thorax en schildje met digte aschgrauwe bestuiving; geheel van voren op den thorax eenige aanduiding van zwarte langsstrepen ; de borstels achter op den thorax en aan den lg ÀMEEtKAANSCHE DIPTERA. achterrand van het schildje stevig en van aanzienlijke lengte. Ach- terlijf gewelfd, glanzig zwart, alleen in de zijden van den laatsten ring met eene zilverachtige, tot het gele neigende weerschijn vlek; tweede ring zonder macrocheten ; aan den rand van den derden ver- scheidene, die zeer stevig zijn; de laatste ring met digte zwarte be- haring en een aantal stekels; buik op het midden der ringen met een aantal dikke, vrij stompe, doornige borstels. Pooten zwart; dijen en vooral de scheenen met vele lange en krachtige borstels. Vleugelschubben en vleugels met grauwbruine tint; vleugeladeren bruinzwart; ombui- ging der discoidaal-ader met scherpen hoek ; schijfd warsader zacht geslingerd. Een vrouwelijk exemplaar uit Chile, in het Leidsch museum; een ander, volkomen daarop gelijkend, uit Argentina (Weyenbergh) in mijne collectie. De soort is naauw verwant met J. blcolor Wied. {Auss. Zweifì. II. 282. 3) en ik zou haar zelfs als zoodanig hebben bestemd, ware het niet dat Wiedemann eene teekening van den thorax aangeeft , waarvan bij mijne overigens vrij gave voorwerpen naauwelijks iets te zien is, en den anus een weinig doorschijnend rood noemt, wat evenmin op mijne exemplaren past. 7. Jurinia nitida v. d. Wulp. V. d. Wulp, Notes from the Leyiì. vins. IV. 82. 14. Nigra nitida; capite pallescente, sericeo; fronte , antennis pedibusque nigris; palpisrufis, subdilatatis , curvatis; alis dilute brunnescentibus , ad basin rufis. — ? long. 15,5 mm. Glanzig zwart. Kop zijdeachtig bleekgeel, aangezigt regtstandig; de mondrand een weinig vooruitstekend ; boven den mondrand ter wederzijde een grootere en verscheidene kleinere borstels; voorhoofd glanzig zwart, met dofzwarten, van achteren gespleten langsband; voorhoofdsborstels stevig ; achterhoofd met digte geelgrijze beharing en een krans van zwarte borstels. Sprieten zwart; het tweede lid dun ; het derde verbreed , half zoo lang als het tweede , aan het einde afgeknot; sprietborstel tot digt aan het einde verdikt. Palpen roest- kleurig, gebogen, naar het einde iets verdikt. Achterlijf gewelfd , zonder lichte bcstuiving ; aan den rand van den tweeden ring eenige plat- liggende, aan den rand van den derden ring eenige overeindstaande ÀMEKIKAANSCHE DIPTEUA. 19 stekelachtige macrocheten ; buik op het midden der ringen met stevige borstels. Pooten zwart, onder aan de voordijen en aan de buitenzijde der scheenen met vele borstels. Vleugelschubben en wortel der vleu- gels roodgeel, welke kleur aan den voorrand tot halverwege de vleu- gellengte reikt; de vleugels overigens met licht bruingrauwe tint; aderen donkerbruin , in -het wortelgedeelte bruingeel ; ombuiging der discoidaal-ader met bijna regten hoek; de spitsdwarsader gebogen; schijfdwarsader bijna regt. Een $ van Ai-izona (Neumögen) in het museum te Leiden. 8. Echino m yia robusta Wied. Tachina rohusta, Wied. Auss. ZiV(>i(L II. 290. 15; — Eeliinomyia analis, Macq. Dipt. cv. supp. 1. 144. 4. pi. 12 f. 3. Een $ uit Argentina (Weyenbergh). Aan de wangen zijn omlaag, digt tegen den oogrand, een paar borstels ; aan den buik zijn alleen in 't midden borstels. Het komt mij niet twijfelachtig voor, dat E. analis Macq. (wel te onderscheiden van E. analis Fabr.) dezelfde soort moet zijn als Tachina robusta Wied. In de beschrijving kan ik geen wezenlijke punten van verschil vinden; alleen noemt Wiedemann de vleugelschubben „elfen- beinweiss", terwijl Macquart ze beschrijft als „un peu roussâtres". Mijn exemplaar komt in dat opzigt met Wiedemann's opgave overeen ; daarentegen beantwoordt het, wat den vorm der sprieten betreft, ten volle aan de beschrijving, daarvan door Macquart gegeven; diens afbeelding overigens is, als gewoonlijk, te ruw _om daarop eenige conclusie te gronden. 9. Echinomyia im ma culata Macq. Macq. nipt. ex. supp. 4. 169. 6. pi. 15 f. 8; v. d. Wulp, Notes from the Loyd. mus. IV. 83. 15. Een . Wci/ciibcryfnaiia ; 28 AMEBIKAANSCHE DIPTERA. bij het 2 tie voethaken en voetballen korter. Vleugels en vleugel- schubben donkerbruin. Een paartje van Brazilië (Beseke) in het Leidsch museum. Deze en de vorige soort schijnen naauw verwant aan B. analis Macq. {Dipt. ex. supp. 1. 460. 2. pi. 14. f. 4), die echter kleiner is en bij welke de wortelleden der sprieten bruingeel zijn. 20. Semoraea erytbropyga v. d. Wulp. V. d. Wulp, Notes from the Leycl. mus. IV. 83. 16. Nigra; facie, antennis pro parte majore, abdominisque segmento quarto rufis ; thorace striis quatuor griseis ; pedibus piceis ; alarum nervo transversali medio infuscato. — i long. 11 mm. Door de behaarde oogen , de alleen van onderen bewimperde gezigts- lijsten, de breede wangen en kinbakken, het derde sprietenlid, dat niet langer dan het tweede is, het eivormige achterlijf en de aan de ombuiging niet verlengde diseoidaal-ader behoort deze soort tot het geslacht Nemoraea. Aangezigt en wangen vuil roestkleurig ; voorhoofd naar boven sterk versmald , zwartachtig , alleen aan de uiterste oogkanten lichter ; ter wederzijde van den sprietwortel eeue ronde zwarte vlek; de onderste voorhoofdsborstels niet verder dan deze vlek afdalende ; oogen met geelgrijze beharing; mondborstels langs de gezigtslijsten tot aan het ondereind der sprieten opklimmende; ook de wangen met een aantal borstels. Sprieten ter halverv/ege het gezigt reikende , roestkleurig ; de beide eerste leden van boven borstelig ; het tweede lid verlengd ; het derde zoo lang als het tweede , naar het eind iets verbreed en donkerbruin; sprietborstel zwart , tot ongeveer de helft verdikt. Palpen zwart. Thorax zwart, van boven met vier lichtgrijze langsbanden, de beide buitenste breeder en meer vlekachtig; borstzijden van voren vuil roestkleurig; behalve de zwarte beharing op den thorax zijn op de lichte banden en overigens van achteren en in de zijden lange borstels. Schildje zwart, aan de kanten en van achteren met grijze bestuiving, en voorts met zwarte beharing en eenige lange borstels. Achterlijf langwerpig eivormig, zwart; de tweede en derde ring met grijzen weerschijn, die naarmate het licht er op valt, zich voordoet als zijvlekken of als een voorzoom der ringen ; vierde ring roodgeel ; macrocheten aan den rand der ringen, op den derden ring ook in 't midden en op den vierden over de geheele oppervlakte verspreid. AMEEIKAANSCHB DIPTERA. 29 ï*ooten langer eu dunner dan bij de meeste soorten van het geslacht , pekbruin ; de heupen en wortel der dijen tot het roestkleurige nei- gende ; dijen met kamachtig geplaatste, scheenen met verspreide borstels ; haken en voetballen lang. Vleugelschubben bruingrauw , met geelachtigen rand. Vleugels met grauwe tint; spitsdwarsader en schijf- dwarsader gebogen; de laatste op drie vierden der spitscelingewricht ; middeldwarsader schuin achterover geplaatst, zwartachtig gezoomd. Een c? van Chile in het Leidsch museum. 21. M a S i c e r a i n s i g n i s v. d. Wulp. V. d. Wulp, Notes from the Lei/d. mus. IV. 85. 18. Cinerea ; antennis , striis thoracis quatuor, abdominis segmento primo , segmentorum 2 — 4 limbo postico , linea dorsali pedibusque nigris ; palpis testaceis ; thoracis stria media et scutelli apice rufescentibus ; abdo- minis segmento ultimo limbo antico flavo. — ); Blanch, bij Gay, Hist. fis. y pol. de Chile, VIL 428. 1. pi. 5. f. 4. Een c? van Argentina (Weyenbergh). Blanchard's afbeelding is misteekend en doet naauwelijks aan eene Sarcophaga denken , ook wegens de gesloten en gesteelde spitscel ; in de afzonderlijke vleugelteekening (fig. 4(') is daarentegen de spitscel veel te wijd geopend , maar ook deze figuur geeft geen juiste voor- stelling van het aderbeloop. Myne determinatie grondt zich voornamelijk op de goudgele kleur van het voorhoofd en aangezigt en op den roodachtigen voorhoofdsband. 9. Sarcophaga occidua Fabr. Fabr. Ent. Syst. IV. 315. 12; id. Syst. Anti. 288. 19; Wied. Auss, Zwei/L IL 368. 31. Een paartje van Argentina (Weyenbergh). Bij het