BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER NITIDULARIEN DOOR Jhr. Dr. Ed. EVERTS. Hierbij PI. 2, 3 en 4. De familie der Nitidularien of Bloemlîevers , in Nederland en het oralijrgend gebied door 17 genera en ongeveer 100 species vertegen woordigd, maakt een deel uit van de zoo moeielijke groep der Knots-sprietkevers {Clavicoriiiu). Aangezien de meeste vormen nauwlijks de grootte van 3 mm. be-reiken , zoo is het gebruik van de sterkst vergrootende loupen veelal ontoereikend en dient men het enkelvoudig mikroskoop te bezigen om de dikwerf scherpe onderscheidingskenmerken duidelijk te aan-schouwen. De Nitidularien zijn aan de volgende kenmerken te onderscheiden, liet lichaam is gevleugeld, eirond, meer of min lunggestrekt , zeld-zamer cilindervormig of zelfs eenigszins halfkogelvormig; in den regel eenigszins gewelfd, soms daarentegen sterk afgeplat. Het r^bdomen is uit vijf bewegelijke segmenten samengesteld, van welke er veelal een of meer aan de rugzijde achter de dekschilden zichtbaar zijn. De sprieten zijn 11-ledig, het wortellid kan in den regel lu een grocfje aan de onderzijde van den kop worden opgenomen vU de 3 laatste leedjcs vormen eene knots. Van de 5 tarsenleden is I-et 1*" of 4' zeer klein. Deze diertjes zijn deels eenkleurig zwart, bruin, rood, geel, metaal -glanzend blauw of groen, deels licht of donker gevlekt. Men vindt ze achter boomschors, in paddestoelen, aan aas, tusschen afgevallen bladeren , doch het mecrendeel op bloeiende planten. De langgestrekte larven bezitten een eenigszins uitstekenden kop met 3 ocellcn aan weerszijden, 2-ledige sprieten en een enkelen klauw aan den tarsus,