BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER APIONIDEN Jlir. Dr. Ed. EVERTS. De Apioniden^ in Neclerhind slechts door het eenige Europeesche genus Apion vertegenwoordigd , maken cene zeer kennelijke groep uit van de familie der Snuitkevers {Curculioiiitiac). De vormen van het genus Apuin zijn zoo karakteristiek, dat zij zeer gemakkelijk van hunne aanverwanten zijn te onderkennen. De kop is achter de oogen min of meer verlengd ; de snuit óf lang en dun óf kort en dik, min of meer gebogen, cilindervormig, bijna recht of gebogen , zeldzamer naar het uiteinde wigvormig of elsvormig toegespitst, somwijlen nabij de inplanting der sprieten verdikt. De sprieten zijn even als bij de Atlclahuifie , nimmer knievormig gebogen, draad vormig, dun, bij de mannetjes soms de eerste leden verdikt; de scapus is van verschillende lengte, de funiculus bestaat uit 7 leden , de clava uit 4 en is daarenboven toegespitst ; zij zijn op ver-schillende plaatsen ingeplant óf onmiddellijk aan de basis, óf nabij den wortel óf nagenoeg in 't midden , hoogst zelden voorbij het midden van den snuit. Oogen een weinig uitpuilend. Halsschild cilinder-of kegelvormig', schildje uiterst klein. Dekschilden gewelfd, ovaal, ei-of pcervormig, soms eenigszins verlengd, of naar achteren verbreed, het achterlijf geheel omvattend. Eerste en tweede ring van het achterlijf min of meer vergroeid. De tarsus is tamelijk breed, het derde lid twee-lobbig. Het zijn kleine, hoogstens 4 of 5 mm. lange, gevleugelde diertjes, wier lichaam meestal onbehaard is, soms fijn behaard, zeldzamer van dichte Avitte schubachtige beharing voorzien. De dekschilden zijn gewoonlijk zwart, blauw, groen, bronskleurig, rood of bruinachtig, al of niet eenkleurig. Het onderzoek der monddeelen blijft altijd eeue groote moeielijk-