AANVULSEL TOT HET GESCHIEDKUNDIG OVEßZIGT VAN HET GESLACHT ACENTROPUS CURT. BOOB G. R I T S E M A Cz. Sedert het verschijnen van bovengenoemd opstel (zie Tijdschr. V. Entom. 2' Serie, Dl. VI (1871), bladz. 157 en volgg.) zijn mij weder eenige werken in handen gekomen , waarin over dit vlinder-geslacht gesproken wordt, welke werken óf mijne aandacht waren ontgaan, óf het licht gezien hebben nadat mijn opstel aan de Redactie was toegezonden. Ter wille van de volledigheid zal ik ze hier, even als vroeger in chronologische volgorde, kortelijk bespreken. In de voorrede van the Zoologist voor 1857 (geschreven in November van dat jaar) zegt Edward Newman onder anderen, dat, nu door het onderzoek van Dr. Hagen en door het vinden van larf en pop (door Edwin Brown) bevestigd is dat Acentria nivea tot de Lepidoptera behoort, de vraag ontstaat: waarom wordt niet de geheele afdeeling der Phryganiden tot de Lepi-doptera gerekend? „de gekokerde larf" zoo vervolgt Newman „ is geen beletsel , de vorm van de pop evenmin , en gaan wij tot het volkomen insekt over : dat de schubben door haren ver-vangen zijn is geen hinderpaal, de formule voor de vleugel-aderen is dezelfde , de onbruikbaarheid van den mond legt geen gewigt in de schaal; inderdaad, wanneer wij naar een geldig tegenbewys zoeken, dan kunnen wij voor de Phryganiden geen enkel kenmerk vinden, waaraan niet reeds door het geslacht Psyche de waarde ontnomen wordt. Ik weet wel hoe dit alles strijdt tegen de bestaande gevoelens, hoe de werken van Ing-pen, Samouelle, Curtis, Stephens en Westwood aangehaald