DE INLANDSCHE HEMIPTEREN BESCHREVEN EN MEERENDEELS OOK AFGEBEELD DOOK S. C. Snellen van Vollenhoven. Eerste stuk mot tvee platen. INLEIDING^. Het is mijn voornemen in langzaam elkander volgende opstel-len in dit Tijdschrift alle inlandsche Hemipleren te beschrijven; de grooleren, die der beide eerste familien zijn waarschijnlijk reeds allen lot mijne kennis gekomen; voor het bijeenbrengen der kleinere soorten roep ik de hulp van alle Nederlandsche entomologen in en voornanielijk van hen wier welwillendheid mij reeds zoo vaak gebleken is. Gelijk men weet , wordt de Orde der Hemipteren niet zoozeer door de natuur en inrigling der vleugels, als wel door die der nionddeelen gekenmerkt. Deze bestaan namelijk uit een zuig-loeslel, gevormd uit zes deelen , cene gootvormige naar boven als toeslaande onderlip, in welke vier borstelharen besloten zijn, die de boven-en ondcrkaken der kaauwendc insecten vertegen-woordigen, en eindelijk een gewoonlijk zeer smalle, wigvormige ' bovenlip, die den zuiger aan de bovenzijde bij den wortel sluit. I Men wil, dat de mannetjes van eenige coccus-soortcn geheel i van moiiddeclcn verstoken zouden zijn; bij alle o\erige llemi-' plera is de mondtocstel naar hel zoo even beschreven model . gevormd.