DE INLANDSCHE SOORTEN VAN HET GESLACHT EUPITHECIA CURTIS p. e. T. SNELLEN. Een (1er moeijelijksl le kennen Genera onder de Geometrae, misschien wel het allermoeijelijkstc, is stellig de groep kleine spanners die men onder den naam van Eupithecia vereenigt. De geringe grootte der vlinders, hunne overeenkomst in gedaante, somhere kleur en teekening (die denzelfden grondvorm bijna zonder afwisseling herhaalt) , gevoegd bij het groote aantal der soorten, maakt de onderscheiding van deze zeer bezwaarlijk. Hierbij komt, wel als een gevolg van het bovenstaande, dat de beschrijvingen en afbeeldingen zelden voldoende zijn en de determinatie der gevangene vlinders daardoor eigenaardige be-zwaren heeft. Mijne nasporingen , door het toeval begunstigd , mij in het bezit van een groot aantal soorten gesteld hebbende, waaronder de meeste inlandsche, en wel in toereikend aanlal voorwerpen, ben ik ten minste met de tot dusverre in Neder-land waargenomen species tanielijk wel bekend geworden en dit heeft mij er meermalen over doen denken om van onze inland-sche soorten beschrijvingen te maken en deze in het Tijdschrift, door onze Vereeniging uitgegeven, te plaatsen, even als de heer II. W. de Graaf dit met de eveneens moeijelijke genera Ilypo-nomen(a\ Depressaria" en met de Pterophoriden^ heeft gedaan, ' In Herklots Bouwstoffen voor cene Fawna van Nederland, I, p. 123. Bijdrage tot Je soortkennis der ny2)ünomcntac of Stippelmotten. * Tijdtchrift voor Entomologie, l, p. 46. Kenmerken der inlandsche Deprcssarieu. ' " "II, p. 35. Over de Europesche Pterophoridae. 8