98 DE RUPS VAN HEPIALUS SYLVINUS. Tn het vijfde nommer van liet Wiener Entomologische Monat^ schrift van dit jaar (November), vinden wij de eerste beschrij-ving der rups van den Hejdalus sylvinus ^ door den heer Assmuss te Leipzig bekend gemaakt. De billijkheid eischt van mij dat ik openlijk mededeele, dat ik reeds voor eenigen tijd van den Hoog Edel Gestrengen heer Ver Huell te Arnhem , voor het werk van Sepp over de Nederlandsche vlinders eene naauwkeurige be-schrijving en afbeelding van rups, pop en vlinder van deze soort heb ontvangen. Alleen de noodzakelijkheid om andere beschrij-vingen , die reeds meer dan een jaar bij mij berustten , te laten voorgaan, wederhoudt mij van de beschrijving van Syhinus ter-stond in genoemd werk te laten volgen. Dat de prioriteit daarbij aan een anderen schrijver overgaat, is een betreurenswaardig ge-volg van den nog steeds vertraagden voortgang van het gemelde werk, waartegen ik evenwel alle noodwendige maatregelen tracht ten uitvoer te leggen. Mögt het werk ook nu weder , gelijk bij het verschijnen van het eerste deel, meer ondersteuning bij de rijkere niet-entomologen in ons Vaderland vinden. De beschrijving van den heer Ver Huell verschilt in eenige op-zigten van die van den heer Assmuss. De eerste noemt de wratjes op den rug lichtbruin, de andere zwart. Volgens Assmuss zijn de voorpooten en naschuivers roodachtig geel, volgens Ver Huell wit. De een vond de rupsen in de wortels van Lavatera communis, Malva moschata en Alcea rosea, de ander in die van Plantago major. S. v. V.